Marieke Hopman: op basis van slechts 12 interviews maakt onderzoekster stemming tegen thuisonderwijs
Tegenstanders van thuisonderwijs beroepen zich vaak op een rapport van de Maastrichtse onderzoekster Marieke Hopman. Bron afbeelding achtergrond: YouTube / BOOS.
Thuisonderwijs ligt onder vuur. Critici verwijzen daarbij vaak naar het rapport (W)elk kind heeft recht op onderwijs? van filosofe Marieke Hopman. Zij schuift woensdag aan bij een rondetafelgesprek over het onderwerp in de Tweede Kamer. Maar hoe betrouwbaar is haar onderzoek?
De belangrijkste bevindingen van dit onderzoeksartikel:
- De Onderwijsinspectie beroept zich bij kritiek op thuisonderwijs op een onderzoek onder slechts twaalf kinderen met thuisonderwijservaring, onder wie mogelijk kinderen uit de Roma-gemeenschap.
- Filosofe Marieke Hopman concludeerde in dat rapport dat kinderen weinig vrienden hebben en waarschuwde voor ‘sociale isolatie’, zonder hun sociale leven te vergelijken met dat van schoolgaande kinderen.
- Ouders mochten niet bij de interviews aanwezig zijn; gezinnen die dat wel wilden, werden uitgesloten van deelname. De thuisonderwijsvereniging weigerde daarom medewerking.
- Een veel groter onderzoek uit 2026 onder 183 thuisonderwijskinderen schetst een ander beeld: 84 procent is tevreden met het aantal vrienden.
De context: institutionele tegenwerking van thuisonderwijs
Woensdag voert de Tweede Kamer een rondetafelgesprek over thuisonderwijs. Dat is, anders dan in veel Europese landen, geen erkende onderwijsvorm in Nederland. Wel kennen we de leerplichtvrijstelling voor ouders die levensbeschouwelijk bezwaard zijn tegen de scholen in hun omgeving. Hun kinderen hoeven niet naar school en kunnen thuisonderwijs krijgen.
Leerplichtvrijstelling vanwege richtingsbezwaar is wettelijk geregeld in artikel 5 onder b van de Leerplichtwet. Een kennisgeving door de ouders brengt de vrijstelling van rechtswege tot stand. Veel gemeenten behandelen die vrijstelling echter steeds meer als een ‘gunst’ die van overheidswege “verleend” wordt. Dat schuurt met de status van ouders als eerste verantwoordelijken voor de vorming van hun kinderen.
De gemeenten voelen zich gesteund door de Hoge Raad, die in een arrest van 21 april 2026 beweert dat openbare scholen “neutraal” zijn en dat thuisonderwijskinderen daarnaartoe kunnen. De hoogste rechter dreigt het hiermee praktisch onmogelijk te maken een leerplichtvrijstelling te krijgen. Daarmee is de Hoge Raad op de stoel van de wetgever gaan zitten en wordt een wezenlijk onderdeel van de onderwijsvrijheid een dode letter.
Onderwijsinspectie verwijst naar rapport
Tegen deze achtergrond voeren Tweede Kamerleden woensdag het rondetafelgesprek. Daarbij nemen diverse belanghebbenden deel, waaronder de Onderwijsinspectie. Die beweert in een op voorhand ingezonden position paper dat kinderen bij thuisonderwijs “niet of minder de kans [krijgen] om samen te leren met leeftijdsgenoten in een groep” en “verminderd in aanraking [komen] met andere perspectieven.” [1]
In een voetnoot verwijst de inspectie naar: Hopman, M. J. (2016). (W)elk kind heeft recht op onderwijs? Een onderzoek naar de betekenis van recht op onderwijs voor kinderen in Nederland, specifiek gericht op thuisonderwijs, thuiszitters en Roma kinderen.
Wie is Marieke Hopman?
Wie het thuisonderwijsdebat volgt, ziet de naam van de auteur vaker voorbijkomen. Het gaat om Marieke Hopman. Zij spreekt woensdag ook tijdens het rondetafelgesprek. In mei 2026 noemde zij in het BNNVARA-programma BOOS de vrijstellingsstructuur “ontzettend problematisch”, omdat door gebrek aan toezicht “allerlei kinderrechtenschendingen” mogelijk worden. [2]
Hopman is opgeleid als filosofe en doceert aan de Universiteit Maastricht. In een interview met nemokennislink.nl vertelt ze voor de specialisatie kinderrechten te hebben gekozen omdat “ik het onrechtvaardig vind dat kinderen vaak de negatieve gevolgen beleven van beleid en acties van volwassenen.” [3]
Saillant detail: Hopman noemt in hetzelfde interview Rianne Letschert, toen rector van de Maastrichtse universiteit, haar “grote voorbeeld”. Letschert is nu minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, waar het dossier thuisonderwijs ligt (al zit het in de portefeuille van staatssecretaris Judith Tielen).
Hopman refereert op LinkedIn naar haar relatie met Rianne Letschert, die haar proefschrift begeleidde en zich nu als Onderwijsminister ook over thuisonderwijs uitspreekt. In hoeverre is de Kamer onafhankelijk geïnformeerd als zij aanschuift bij het rondetafelgesprek over dit dossier? Bron afbeelding: LinkedIn.
Interviews met 12 kinderen
In haar position paper verwijst Hopman naar haar onderzoek (W)elk kind heeft recht op onderwijs? [4] Daaruit zou blijken dat “een groot deel van onderwijs wat in groepsverband gebeurt niet of moeilijk plaats kan vinden”, zoals “samen muziek maken”. “Alle” thuisonderwijskinderen gaven aan “dat zij weinig vriendjes hebben. Sommigen voelden zich eenzaam.” Haar advies: “Schaf alle vrijstellingen af.”
Op basis van welk bewijs komt Hopman tot deze straffe aanbeveling? Voor haar onderzoek naar thuisonderwijskinderen, thuiszitters en Roma-kinderen sprak ze 51 mensen, van wie 12 kinderen zijn die “ervaring” hadden met thuisonderwijs. Geïnterviewden konden hierbij “dubbele rollen” hebben; een thuisonderwijskind kon dus ook Roma zijn. Uit de data valt niet af te leiden hoeveel van de 12 tot deze kleine minderheid behoorden. Volgens de Roma Civil Monitor is 0,24 procent van de Nederlandse bevolking Roma. [5]
Roma-ouders houden hun kinderen thuis, aldus Hopman, om ze te laten werken. Een tweede reden: “Een meisje dat maagd is kan worden uitgehuwelijkt en levert een bruidsschat op. Als zij al gezien is met andere jongens, vermindert haar waarde.” (p. 11) Wat deze uitzonderlijke overwegingen van een zeer kleine minderheid te maken hebben met Nederlandse ouders die thuisonderwijs geven, wordt niet duidelijk.
Van de 12 geïnterviewde kinderen met thuisonderwijservaring wordt niet duidelijk hoeveel er thuiszitters zijn. Dit is echter een wezenlijk onderscheid. Thuisonderwijs is een vrijwillige en bewuste keuze van ouders die hun kind zelf lesgeven. In het rapport wordt slechts één gesprek geciteerd met een kind dat in deze categorie viel.
Thuiszitters zijn daarentegen kinderen die onvrijwillig thuisblijven door vastgelopen zorg of uitval op school. Onderzoek van de Kinderombudsman in Rotterdam wijst uit dat 80 procent van de thuiszittende kinderen “geen contact meer met vrienden” heeft. [6] Onder thuisonderwijskinderen is daarentegen 84 procent tevreden met het aantal vrienden. [7]
Tabel uit Hopmansrapport. Zij sprak 24 kinderen (0-25 jaar). Daarvan hadden 21 ervaring met "regulier onderwijs", d.w.z. school. Slechts drie zijn nooit naar school geweest. Bron: (W)elk kind heeft recht op onderwijs?, p. 11
De claim van sociale isolatie
Een “belangrijk punt” in Hopmans rapport is de “sociale isolatie” van kinderen (p. 38). Alle gesproken thuisonderwijskinderen “geven aan dat zij weinig vriendjes hebben”. Hopman citeert Inge (7): “Mensen denken dat we geen vriendinnen of vrienden hebben, maar dat hebben we wel omdat er natuurlijk ook andere kinderen thuisonderwijs krijgen.” Inge denkt wel minder vrienden te hebben dan schoolgaande kinderen, maar op “Dat is misschien wel jammer dan, of niet?” antwoordt zij: “Niet zo héél erg.”
Het onderzoek vergelijkt Inges aantal vrienden niet met het gemiddelde van leeftijdsgenoten. Dat zij er duidelijk niet mee zit, past niet in de kraam van Hopman. Een meisje met misschien twee of drie goede vriendinnen, zonder behoefte aan meer, geldt als bewijs van “sociale isolatie”. Hier lijkt vooral sprake van een vooroordeel dat bewezen moet worden.
Zelfs als de claim van “sociale isolatie” in 2016 standhield, is de vraag of zij in 2026 nog houdbaar is. Tien jaar geleden waren 619 kinderen vrijgesteld vanwege levensbeschouwelijke bezwaren; in schooljaar 2024-2025 waren dat er 2.860. Tegenwoordig is het makkelijk om wekelijks of dagelijks af te spreken met andere thuisonderwijsgezinnen.
De problematische gespreksmethode van Hopman
Kinderen interviewen zonder hen te sturen is zeer lastig. Hopman gebruikt een problematische gespreksvorm: “een combinatie van onderzoekend leren met de filosofische dialoog” (p. 12). Filosoferen vraagt abstractievermogen. Het kan een waardevolle exercitie zijn om kinderen iets te leren, maar leent het zich voor verstrekkende conclusies over wat het kind écht vindt? Bovendien is dialogeren tweerichtingsverkeer; beïnvloeding door de onderzoeker ligt op de loer.
“Onderzoeker en respondent deden samen onderzoek naar de vraag ‘wat betekent recht van het kind op onderwijs (in Nederland)?’” licht Hopman toe. “De opzet was daarin vrij en gelijkwaardig (..)” (p. 12) Maar hoe vrij zijn kinderen werkelijk? Hebben zij voldoende durf om het interview af te breken als de onderzoekster over hun grenzen gaat?
Hopman lijkt kinderen te behandelen als volwaardige onderzoekers, wat voorbijgaat aan de beperkte mentale capaciteit van minderjarigen. Kinderen missen de kennis, het abstractievermogen en de levenservaring om school- en thuisonderwijs – en alle complexe factoren daarbij – met elkaar te vergelijken, zonder zich door emotie te laten leiden. Er is een reden dat we kinderen niet laten stemmen over vergelijkbaar ingewikkelde vraagstukken.
Vooral het abstraheren van ‘recht op onderwijs’ als iets wezenlijk anders dan ‘sociale normen’ is voor kinderen zeer lastig. Kinderen zeggen vaak wat zij denken dat volwassenen verwachten. Hopman kon de thuisonderwijskinderen in haar onderzoek daardoor makkelijk sturen richting haar eigen conclusies.
Hopman startte het onderzoek met de conclusie dat thuisonderwijs ‘kinderrechtenschending’ is
Opmerkelijk is dat Hopman in een ander wetenschappelijk debat (over het bestuderen van mensenrechten onder autoritaire regimes) het verwijt gekregen dat zij haar vooraf gekozen interpretatiekader over de ervaringen van geïnterviewden heen legt. Zij filtert hun uitspraken door haar eigen “epistemische categorieën”, zonder dat ze haar conclusies achteraf kunnen betwisten of corrigeren. [8]
Wat was in het rapport van 2016 eigenlijk het vooraf gekozen interpretatiekader van Hopman? In haar proefschrift uit 2019 schreef ze in 2014 voor het onderwerp thuisonderwijs te hebben gekozen “omdat het recht op onderwijs van deze kinderen in het gedrang leek te komen.” Zij koos thuisonderwijs vanwege het “potentieel om nieuwe informatie te verschaffen over het onrecht waaronder kinderen te lijden hebben.” [9] Zij spreekt van "aanwijzingen" dat kinderrechten op "grove wijze" geschonden worden, ook bij thuisonderwijs. [10]
Het uitgangspunt van Hopmans rapport was daarmee niet óf kinderrechten geschonden worden, maar hóe dat gebeurt. Dat blijkt ook uit de connecties die zij vóór haar onderzoekswerk legde met UNICEF, Defence for Children en ECPAT: organisaties die bestaan om kinderrechtenschendingen te bestrijden. De mogelijkheden om media-aandacht te trekken speelde daarbij mee. [11]
Bron: Looking at law through children’s eyes, p. 122.
Ouders en kinderen worden tegen elkaar uitgespeeld
We keren terug naar ‘kinderrechten’, Hopmans specialisatie. Critici gebruiken die notie in toenemende mate om een wig te drijven tussen ouders en kinderen. Hopman omschrijft de interviews als “empowering” ervaring voor de kinderen. Is het doel hier niet waarheidsvinding, maar het wapenen van het ‘autonome’ kind tegen zijn eigen ouders? Waarbij het kind vooral onder de macht van de overheid komt te vallen?
Op maastrichtuniversity.nl sprak Hopman, die geen sociaalwetenschappelijke opleiding heeft gehad, in 2018 over haar methodiek: “Ik heb een manier ontwikkeld op basis van de socratische dialoog, om met kinderen open en gelijkwaardig te kunnen praten en echt naar ze te kunnen luisteren. Op deze manier hoop ik de kinderen een stem te geven waardoor de plaatselijke autoriteiten beleid kunnen maken dat kinderen echt helpt en dat NGO’s helpt bij hun interventies.”
Hopman vertrekt dus vanuit het vooroordeel dat kinderen ‘niet gehoord’ worden en ‘echte hulp’ van de overheid en NGO’s nodig hebben. Wat een mogelijke conclusie kan zijn van onderzoek, wordt zo een uitgangspunt. Als dat uitgangspunt wrevel wekt bij ouders, illustreert dit voor Hopman dat ouders hun kinderen onterecht belemmeren. Zo creëert de onderzoekster een selffulfilling prophecy.
In haar rapport ziet Hopman thuisonderwijsouders vooral als een stoorfactor. Hopman noemt hen “overbeschermend” en “gatekeepers” die Hopmans contact met de minderjarigen verhinderen. Onderzoek dat positief is over thuisonderwijs stelt zij ter discussie omdat dat gebaseerd is “op contact met de ouders, er is niet met kinderen gesproken” (p. 36). Ouders mochten niet bij de gesprekken aanwezig zijn; wie dat wel wilden, “werden uitgesloten van deelname” (pp. 10-11). Dat brengt bias in een toch al kleine sample van 12.
Hopmans werkwijze was voor de Nederlandse Vereniging voor Thuisonderwijs (NVvTO) reden om medewerking te weigeren. Volgens Hopman kon de vereniging zich niet vinden in een methode waarbij je, in de woorden van NVvTO, “kinderen wil afscheiden van hun ouders om ze alleen te kunnen ondervragen. Daaruit spreekt een wantrouwen naar ouders toe die op geen enkele manier past in onze realiteit of zorgvuldigheid waarmee we met onze kinderen omgaan.” (p. 11)
Recent onderzoek: thuisonderwijskinderen zijn sociaal gelukkig
De NVvTO onderzocht zelf in 2026 183 thuisonderwijskinderen, het vijftienvoudige van Hopmans 12. “De meeste thuisonderwijskinderen [zijn] tevreden over hun sociale leven”; 84 procent is tevreden met het aantal vrienden. [12] Dat ligt hoger dan de 82 procent bij de algemene populatie jongeren. [13] Sceptici kunnen de onafhankelijkheid van de NVvTO betwisten, maar de bevindingen geven te denken over Hopmans beeld van sociale isolatie.
Het maakt voor de socialisering van kinderen veel uit of zij op vrijwillige basis thuisonderwijs krijgen of dat zij gedwongen thuiszitten, bijvoorbeeld na psychische problemen door pestgedrag op school. Dit onderscheid wordt onvoldoende gemaakt in het rapport van Hopman.
Kamer, neem het met een flinke korrel zout
Negatieve publiciteit rond thuisonderwijs leunt op een smalle basis en verwijst vaak naar (W)elk kind heeft recht op onderwijs?. Het thuisonderwijsgedeelte van dit rapport is gedateerd, vooringenomen en grotendeels gebaseerd op methodisch problematische interviews met een biased selectie van slechts twaalf kinderen. Daarbij worden de interviews ideologisch omschreven als vorm van ‘empowerment’ van kinderen. Dit zijn meer dan genoeg redenen voor Tweede Kamerleden om de inbreng van Marieke Hopman met een flinke korrel zout te nemen.
De auteur van deze gastbijdrage is thuisonderwijzer.
Voetnoten
[1] https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026Z20032&did=2026D46251
[2] https://www.youtube.com/watch?v=SBlvZU_7Uz8
[3] https://www.nemokennislink.nl/facesofscience/profielen/marieke-hopman/
[4] https://www.defenceforchildren.nl/media/1718/rapport-w-elk-kind-heeft-recht-op-onderwijs.pdf
[5] https://phirenamenca.eu/exploring-roma-inclusion-in-the-netherlands/
[6] https://orr.nl/thuiszitters-wie-zit-ermee/
[7] https://www.thuisonderwijs.nl/nieuws/onderzoek-nvvto/
[8] https://academic.oup.com/jhrp/article/15/2/347/7150658
[9] https://cris.maastrichtuniversity.nl/en/publications/looking-at-law-through-childrens-eyes/, p. 126.
[10] Ibidem, p. 122
[11] Hopman legt zelf dit verband op p. 122 van haar proefschrift: “My reasons for choosing these particular case studies are: (..) The Dutch cases because of practical reasons (as the researcher lives in the Netherlands) and because of strong connections of the researcher to Dutch children’s rights organizations, such as Defence for Children / ECPAT the Netherlands and UNICEF the Netherlands. Through these connections, children’s rights organizations will be able to directly use the data on children’s rights violations uncovered during field research. It also opens up possibilities for publication of data on children’s rights violations in popular media.”
[12] https://www.thuisonderwijs.nl/nieuws/onderzoek-nvvto/
Laatst bijgewerkt: 7 oktober 2026 12:43