Radboud Universiteit bagatelliseert explosieve toename transgenders: ‘Men kijkt weg’

De dramatische toename van transgenderproblematiek lijkt een gevolg van sociale besmetting. (Foto: Ted Eytan via Flickr, CC BY-SA 2.0)

Radboud Universiteit bagatelliseert explosieve toename transgenders: ‘Men kijkt weg’

THEMA'S:

Het ministerie van VWS liet door een team genderwetenschappers van de Radboud Universiteit uitzoeken waarom nu zoveel meer mensen zichzelf transgender noemen dan vroeger. Is er sprake van een hype? Maar door ideologische oogkleppen blijft de kwestie in nevelen gehuld. ‘Het rapport verdoezelt dat er iets aan de hand is.’

Onderzoek kijkt weg

Het onderzoek zou moeten uitleggen waar de toename vandaan komt van mensen die zichzelf transgender of non-binair noemen, en waarom de vraag naar transgenderzorg door het dak gaat. Verblind door ideologie slaagt het onderzoek er echter niet in om dit belangrijke fenomeen te verklaren. Het vooringenomen rapport schuift bovendien allerlei zaken onder het tapijt, die mogelijk duiden op een hype. Dit vergroot het risico dat mensen – en vooral jongeren en kinderen – zich aanmelden voor medische behandelingen met mogelijk onomkeerbare gevolgen, zonder dat zij daadwerkelijk blijvende genderdysforie ervaren. Mensen met genderdysforie identificeren zich met een gender dat niet overeenkomt met hun biologische geslacht.

Exponentiële groei

“Ik vind het wegkijken,” zegt de kritische genderwetenschapper Laurens Buijs. “Want alles wijst erop dat er sprake is van een exponentiële groei. Het is echt heel belangrijk dat we zien dat dit aan de gang is. Het onderzoek hamert erop dat er nu meer zichtbaarheid en acceptatie is, waardoor mensen nu sneller naar buiten komen. Maar dat kan nooit verklaren wat we nu zien gebeuren.”

Lees ook: Rapport transgenderzorg: genderpropaganda in wetenschappelijk jasje

Duizenden kinderen op wachtlijst

Tot 2013 meldden zich jaarlijks gemiddeld 200 mensen bij een genderkliniek, onder wie ongeveer 60 kinderen en jongeren. Vanaf dat jaar gaat de lijn echter snel omhoog. In 2022 stonden er bijna 6.000 mensen op de wachtlijst en ondergingen meer dan 5.000 mensen een behandeling met vaak onomkeerbare gevolgen, onder wie 1.600 kinderen en jongeren. Dit speelt zich niet alleen in Nederland af, maar is een internationale trend. Bij de Britse genderkliniek Tavistock steeg het jaarlijkse aantal aanmeldingen van ongeveer 50 in 2009 naar ruim 5.000 in 2022, van wie het merendeel kinderen en jongeren. En ook in het Verenigd Koninkrijk staan er dit jaar duizenden kinderen op de wachtlijst.

Slordig geschreven rapport

De capaciteit voor transgenderzorg in Nederland is al aanzienlijk uitgebreid, maar de transgemeenschap roept om meer, want de uitbreiding kan de toenemende vraag niet bijbenen. Terecht wilde het ministerie van Volksgezondheid eerst weten hoe deze abrupte toename in vraag naar transgenderzorg is te verklaren. Het team genderwetenschappers van de Radboud Universiteit dat de opdracht kreeg om die vraag te beantwoorden, publiceerde onlangs haar bevindingen in het rapport ‘Mijn gender, wiens zorg?’. Voor een rapport over een dermate belangrijk onderwerp en waarop beleid gebaseerd wordt, is het van armzalige kwaliteit. Het is slordig geschreven en bevat nogal wat denkfouten. Journalist en gendercriticus Jan Kuitenbrouwer spreekt daarom van een ‘hoog scriptiegehalte’. Ook het gebruik van bronnen laat nogal te wensen over. “Het ene moment worden wetenschappelijke publicaties afgedaan wegens gebrek aan onomstotelijk bewijs en even verderop wordt verwezen naar blogs en beschouwingen alsof het wetenschappelijke publicaties zijn,” aldus Kuitenbrouwer.

Sociale besmetting

Veel gendercritici vragen zich af of de toegenomen vraag naar transgenderzorg een gevolg is van sociale besmetting. Het valt bijvoorbeeld op dat vanaf 2013 plotseling veel meer meisjes dan jongens zich melden bij genderklinieken, terwijl het voor die tijd vooral mannen waren die transgenderzorg zochten. De abrupte toename van aanmeldingen voor transgenderzorg vanaf dat jaar valt ook samen met de toename van het sociale media-gebruik, waar meisjes vatbaarder voor zijn dan jongens. Invloedrijke transgenders fungeren op sociale media vaak als rolmodel. Het laatste decennium steeg ook het aantal transgender en non-binaire personages in kinderseries sterk. En in het onderwijs nam de ‘voorlichting’ over genderkwesties een vogelvlucht, die volgens critici kinderen juist onnodig in verwarring brengt over hun identiteit.

NPO, stop met het seksualiseren van kleine kinderen!

Onderzoeker werpen rookgordijn op

Een studie van gezondheidsonderzoeker Lisa Littman liet zien dat tienermeisjes onder invloed van sociale media en vrienden in korte tijd genderdysforie kunnen ontwikkelen (rapid onset of gender dysphoria). Hoewel zij na kritiek uit de transwereld enkele kleine – voornamelijk cosmetische – aanpassingen moest doorvoeren, liet het peer reviewed tijdschrift PLOS One haar artikel gewoon staan. Journaliste Abigail Shrier borduurde voort op het onderzoek van Littman en beschrijft in haar boek Irreversible Damage dat er vaak binnen vriendengroepen clusters zijn van tienermeisjes die in korte tijd genderdysforie ontwikkelen, wat de hypothese van sociale besmetting ondersteunt. Shrier en haar boek werden vervolgens op tal van plekken gecanceld, wat geen verrassing mag heten. Er werd dan ook reikhalzend uitgekeken naar het onderzoek van de Radboud Universiteit, omdat eindelijk duidelijk zou worden of sociale besmetting een rol speelt of niet. Maar in plaats van duidelijkheid te verschaffen, werpen de onderzoekers een rookgordijn op: ‘Niets aan de hand, gewoon doorlopen!’

Meer transgenders?

De studie moest drie onderzoeksvragen beantwoorden: 1) Zijn er meer transgenderpersonen dan vroeger? 2) Hoe kunnen we de toegenomen vraag naar transgenderzorg verklaren? En 3) Hoe kunnen we de veranderde vraag naar transgenderzorg verklaren? In relatie tot de alsmaar oplopende wachtlijsten zijn de eerste twee vragen het meest van belang. Het is opvallend dat de eerste vraag direct als onbeantwoordbaar wordt bestempeld: “Deze vraag kan niet worden beantwoord omdat belangrijke cijfers ontbreken om correcte en representatieve uitspraken te kunnen doen,” stelt het rapport. Het is waar dat er nauwelijks datasets beschikbaar zijn die iets zeggen over de aantallen transgenders in het verleden. Maar maakt men zich er niet te gemakkelijk vanaf op deze manier? Zouden sociaal wetenschappers niet in staat moeten zijn om via andere wegen dan datasets in elk geval een inschatting te maken van de aantallen transgenders in het verleden? Men zou bijvoorbeeld enquêtes uit kunnen zetten onder ouderen om vast te stellen hoeveel procent van hen in hun jongere jaren ‘gender-nonconforme’ gedachtes en gevoelens had. Dit cijfer zou – met de nodige voorbehouden – vergeleken kunnen worden met het percentage van de bevolking dat tegenwoordig zegt transgender of non-binair te zijn.

Onderzoekers geven geen antwoord

“Dat is zeker een manier om het te achterhalen,” zegt genderwetenschapper Buijs. “We weten ook over de ouderengroepen dat er mensen zijn die zeggen dat als het toen was zoals nu, zij ook naar buiten waren gekomen als transgender of non-binair. En sommigen vinden het jammer dat het toen meer gesloten was dan nu, maar anderen zeggen juist blij te zijn dat ze toen niet in dat doolhof zijn verdwaald." Volgens de Radboud-onderzoekers is de vraag of er nu meer transgenders zijn dan vroeger echter op geen enkele manier te beantwoorden. Wel stellen zij ‘dat transgenderpersonen zichtbaarder zijn geworden’, wat zou kunnen komen ‘door toenemende herkenning en acceptatie’.

Bescherm kinderen tegen seksuele indoctrinatie door COC!

Toegenomen vraag transgenderzorg

Dan de tweede vraag: Hoe kunnen we de toegenomen vraag naar transgenderzorg verklaren? Gezien de sterke toename van kinderen en jongeren die zich voor deze behandelingen aanmelden, en de vaak onomkeerbare en levensveranderende gevolgen ervan, verdient deze vraag een helder en wetenschappelijk onderbouwd antwoord. Maar niets daarvan in het Radboud-onderzoek. In plaats daarvan bedienen de onderzoekers zich van een welhaast onnavolgbare woordenbrei om de zorgen over mogelijke sociale besmetting weg te nemen. Volgens het rapport komt het erop neer dat de acceptatie vanuit de samenleving groter is geworden, waardoor nu meer mensen hun gender-nonconformisme durven te uiten. Maar omdat zij vervolgens tot een minderheid behoren, worden zij ‘gemarginaliseerd’. Dit leidt weer tot zogeheten ‘minderheidsstress’ en vanwege die stress melden zij zich aan voor transgenderzorg. Dus de samenleving is toleranter geworden, maar tegelijkertijd ook minder tolerant, volgens het rapport.

'Ideologie achter onderzoek'

De toegenomen vraag naar transgenderzorg heeft volgens de onderzoekers in elk geval niets te maken met sociale besmetting, een hypothese die zij afdoen als ‘morele paniek’. Zij hebben deze mogelijkheid echter niet onderzocht en waar je niet naar zoekt, zul je ook niet vinden. Volgens Buijs is het gevaarlijk om hiervoor de ogen te sluiten. “Het Radboud-onderzoek verdoezelt dat er iets aan de hand is, wat onze aandacht nodig heeft en niet alleen een antwoord vraagt in termen van ‘we moeten accepteren en emanciperen'. We moeten ook kijken naar de hype die er lijkt te zijn. Het is een zeepbel. Mensen worden naar die categorie getrokken en dat is potentieel gevaarlijk. Want er voegen zich mensen in de categorie transgender/non-binair, die daar niet thuishoren en daar ook nooit gelukkig zullen zijn.” Toch steekt men de kop in het zand, zegt Buijs: “Het is echt een blinde vlek. Er zitten ideologen achter dit soort onderzoeken. Het is meer activisme dan wetenschap en dat stoort mij als genderwetenschapper enorm.”

Oververtegenwoordiging tienermeisjes

Driekwart van de kinderen en jongeren met genderdysforie bestaat nu uit meisjes. Voorheen waren het vooral mannen die zich meldden voor transgenderzorg. Tussen 2012 tot 2018 steeg het aantal meisjes van dertig naar 352, ofwel een stijging van 1.074 procent. Bij de jongens was de stijging 493 procent. Onderstaande grafiek is samengesteld door mediasocioloog en gendercriticus Peter Vasterman en komt van zijn aanbevelenswaardige blog. AMAB is een afkorting voor 'assigned male at birth', ofwel biologische jongens. En AFAB is een afkorting voor 'assigned female at birth', ofwel biologische meisjes. De grafiek toont het jaarlijkse aantal adolescenten dat zich van 2000 tot en met 2018 meldde bij de genderkliniek van Amsterdam UMC, waarbij de meisjes (AFAB) in oranje en de jongens in grijs (AMAB) staan aangegeven.

Transgender grafiek

Bron: http://vasterman.blogspot.com/...

Toename tienermeisjes gebagatelliseerd

“De plotselinge en scherpe toename van het aantal tienermeisjes dat transgenderzorg zoekt, is iets heel vreemds,” zegt apotheker Leontien Bakermans, die al langere tijd waarschuwt voor het geven van puberteitsremmers en cross-sekse hormonen aan tieners. “Want wat is hier aan de hand? Er wordt een behandeling gegeven voor iets waarvan de oorzaak onbekend is. Ga eerst eens uitzoeken wat er aan de hand is.” Maar de opmerkelijke toename van tienermeisjes die jongen willen worden, wordt in het rapport compleet gebagatelliseerd. De onderzoekers zien ook geen reden om dit verder uit te zoeken. Volgens hen zijn er sinds 2014 slechts ‘iets meer meisjes’ die zich aanmelden voor zorg. Het zou te verklaren zijn door het afgenomen stigma enerzijds en de toegenomen zichtbaarheid van ‘transmannen’ (biologische vrouwen die door het leven gaan als man) anderzijds. Ook zouden emancipatiebewegingen een rol hebben gespeeld.

Mentale gezondheid meisjes verwaarloosd

Maar, zeggen critici zoals Kuitenbrouwer, ‘een volledige omkering van de sekse-ratio plus een plotse exponentiële groei kan natuurlijk nooit uit zulke trage culturele verschuivingen verklaard worden’. “Ik vind dit heel ernstig,” zegt Bakermans. “En ik denk dat over een aantal jaren heel veel van die meisjes bij hun positieven komen en denken: ‘Wat heb ik verdorie gedaan?’ Ik ben bang voor een golf van spijtoptanten over enige tijd.” Renske Verheul is woordvoerster van Voorzij, een belangenorganisatie die opkomt voor de rechten van vrouwen en meisjes. Zij stoort zich eraan dat het rapport geen aandacht schenkt aan de mentale gezondheid van meisjes. “Het gaat heel slecht met de psychische gezondheid van meisjes en dat is een maatschappelijk probleem. Veel meisjes kampen met ernstige psychische problemen, mede door de invloed van sociale media. Het is een lacune in het rapport dat dit niet aan de orde komt.”

Onder het tapijt

Helaas verdoezelt het Radboud-onderzoek wel meer. “De weglatingen zijn heel erg opvallend,” zegt Verheul. “Er wordt bijvoorbeeld nauwelijks gesproken over rapid onset gender dysphoria. Dat is een hypothese die vrij breed is opgepakt, omdat het een verklaring kan geven voor het feit dat zoveel jongeren zichzelf nu transgender noemen.” “Ook een term als ‘detransitie’ komt helemaal niet aan de orde,” voegt zij eraan toe. “Terwijl we weten dat er steeds meer mensen aan de bel trekken die zeggen: ‘Wat is er met mij gebeurd? Mijn lichaam is verminkt en ik ga nooit meer de oude worden, omdat ik dacht dat mijn lichaam fout was en dat ik het andere geslacht kon zijn.’ Ook dit wordt gebagatelliseerd.”

60-90% aanmeldingen door homoseksuelen

Verheul wijst op meer weglatingen in het onderzoek: “Ook komen de woorden ‘homoseksualiteit’ en ‘lesbienne’ nauwelijks voor in het rapport, alleen in algemene zin. Maar het wordt niet genoemd in relatie tot het feit dat 60 tot 90 procent van de jongeren die zich aanmelden voor transgenderzorg homoseksueel of lesbienne blijkt te zijn,” zegt ze. “Zij vertonen vaak meer gender-non-conform gedrag. Dat weten we al vele jaren en dat is prima, maar het kan door de buitenwereld geproblematiseerd en vervolgens gemedicaliseerd worden: je maakt van een jongen een meisje of van een meisje een jongen en daardoor vallen ze niet meer op hetzelfde geslacht. Ik vind het kwalijk dat het rapport daar niet op ingaat, terwijl het zo’n grote groep is.”

Onderliggende psychische problemen

Verder rept het rapport met geen woord over het gegeven dat kinderen en jongeren die zich melden bij een genderpoli bovengemiddeld vaak lijden aan onderliggende psychische problemen, zoals autisme, depressie, angsten of trauma’s. “En bij meisjes speelt vaak dat wanneer hun lichaam door de buitenwereld wordt geobjectificeerd, zij een hekel krijgen aan hun lichaam. Al dit soort comorbiditeiten komen niet aan de orde,” aldus Verheul, die eraan toevoegt: “Wat je veel ziet bij genderklinieken is dat ze bij voorbaat al iemand als transgender betitelen. En als er psychische problemen spelen, worden deze opgehangen aan de transgender-status. Iemand kan depressief zijn en zoekt misschien een oplossing in het transgenderisme, maar volgens de genderklinieken is het vaak andersom: iemand is transgender en dat verklaart de depressiviteit.”

Opiniestuk vanuit medeleven

Volgens Igor van Kaam, expert in Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP), loopt het taalgebruik in het rapport over van de vooringenomenheid. “Het is geen harde analyse, maar vooral een opsomming van een heleboel aannames, gebaseerd op gesprekken, ervaringen en meningen,” zegt hij. “Dat vind ik jammer, want het had een goed onderzoek kunnen zijn. Het is echter meer een opiniestuk, geschreven vanuit medeleven en respect voor mensen die zich non-binair of transgender voelen; en vanuit de behoefte om deze mensen te helpen en steunen. Daarmee is het onderzoek niet neutraal, maar vooringenomen.” “Er wordt bijvoorbeeld gesproken over het ‘geslacht toegewezen bij geboorte’. Ik kan met de beste wil van de wereld niet achterhalen wat zij daarmee bedoelen, want het lijkt te verwijzen naar een toewijzing,” zegt Van Kaam. “En een toewijzing is een menselijke handeling, alsof een ambtenaar iemand verwijst naar het hokje ‘man’ of ‘vrouw’. Maar voor zover ik – en elke bioloog – weet, wordt een geslacht niet toegewezen, maar bepaald op het moment van bevruchting en ligt dit besloten in het DNA van iedere cel.” Ook stelt het rapport dat ‘het de goede kant op gaat met de emancipatie van transgender personen, maar we zijn er nog niet’. Van Kaam vraagt zich af wat ‘de goede kant’ precies is. “Want daarvoor moet je een mening hebben over wat goed en slecht is rond emancipatie. Ook hieruit blijkt heel direct de vooringenomenheid van de onderzoekers. Zij kiezen wat goed en slecht is,” zegt hij. “Het rapport komt heel dwingend over.”

Bestel nu gratis: De waarheid over homoseksualiteit

Participatieve opzet

Het gebrek aan objectiviteit zou deels te verklaren kunnen zijn door de zogeheten participatieve opzet van het onderzoek: twee van de uitvoerende onderzoekers noemen zichzelf non-binair; er werd feedback gevraagd van een klankbordgroep bestaande uit ervaringsdeskundigen en belangenvertegenwoordigers; het onderzoek is voor een groot deel gebaseerd op gesprekken met zogenoemde focusgroepen, die bestonden uit transgenderpersonen en zorgprofessionals; de meeste gespreksleiders van deze focusgroepen noemen zichzelf ook transgender of non-binair. Deze opzet wordt in de Appendices bij het onderzoek geprezen als een verbetering ten opzichte van eerdere studies, want ‘er werd vooral onderzoek gedaan naar of over transgenderpersonen, zonder samen te werken met de doelgroep’. Daar is natuurlijk iets voor te zeggen, maar er schuilt ook een risico in deze aanpak, namelijk dat van vooringenomenheid.

Gender-non-kritische positie

“Dit rammelt aan alle kanten,” zegt Buijs over de participatieve opzet. Het noemt het onderzoek ideologisch gedreven. “In het denken van dit soort progressieve sociologen heersen veel dogma’s, zoals dat van zelfidentificatie: als iemand van zichzelf zegt dat hij transgender of non-binair is, dan is dat de waarheid en daar mag niet aan getwijfeld worden. Een ander voorbeeld is dat van de ‘geleefde werkelijkheid’: als ik iets beleef en dat is mijn werkelijkheid, dan is dat dé werkelijkheid.” “Dit gedachtegoed leeft onder dit soort onderzoekers,” gaat Buijs verder. “En als je dat inbouwt in het onderzoeksteam, de gespreksleiding van de focusgroepen en de klankbordgroep, dan wordt dat het uitgangspunt. Dan zit je helemaal in wat we noemen de gender-non-kritische positie en laat je geen enkele kritiek toe in het hele onderzoek. Dit is echt heel problematisch.”

(Vanaf 24:30)

Persoonlijk belang

Naast de ideologische tunnelvisie, kan er ook een persoonlijk element meegespeeld hebben bij de uitvoer van het onderzoek. Een belangrijke vraag was – en is helaas nog steeds – of sociale besmetting een rol speelt in de scherp toegenomen vraag naar transgenderzorg, met name bij minderjarigen. Komen er tegenwoordig meer kinderen en jongeren uit de kast, omdat de samenleving toleranter is geworden? Of noemen nu meer minderjarigen zich transgender of non-binair als gevolg van rolmodellen op sociale media, de vele transgender en non-binaire personages op tv, de ‘voorlichting’ op scholen, Paarse Vrijdag, Pride Maand, etcetera, zonder dat zij daadwerkelijk blijvende genderdysforie ervaren? Men andere woorden: is er sprake van een hype? Als dat laatste het geval is, dan is dat voor mensen die zich identificeren als transgender of non-binair – zoals een deel van het onderzoeksteam en de gespreksleiders van de focusgroepen – een nogal ongemakkelijke waarheid, omdat het indirect toornt aan hun eigen identiteit. Zij zijn er namelijk van overtuigd een mannelijke geest of ziel te zijn in een vrouwenlichaam, of andersom, of iets ertussenin. Wanneer blijkt dat veel mensen die hetzelfde beweren dit eigenlijk doen onder invloed van externe factoren, zou dat de grond onder hun eigen identiteit een stuk wankeler maken. Het is daarom niet ondenkbaar dat de onderzoekers bewust of onbewust helemaal geen antwoord wíllen vinden op de vraag of sociale besmetting al dan niet een rol speelt. Onderzoeksvooringenomenheid is een bekend verschijnsel, zelfs in de meer exacte wetenschappen.

Bescherm onze kinderen tegen porno. Teken voor een Nationaal Actieplan tegen Pornografie

Onomkeerbare gevolgen

Volgens Buijs was het in de jaren 2000-2010 veel makkelijker om het te hebben over andere vormen van behandeling dan medicatie en operaties. “In die periode was er wel ruimte voor meer gender- en seksuele diversiteit, maar er was nog geen sprake van een hype,” zegt hij. “In de transgenderzorg speelden toen ook al discussies over wie echt transgender is en wie meer geholpen is met psychotherapie. Die vragen werden toen nog openlijk gesteld.” Tegenwoordig ziet hij daar in het wetenschappelijke debat weinig ruimte meer voor. “Nu is het zo gepolitiseerd en gepolariseerd dat iedereen die kritische vragen stelt, meteen wordt weggezet als een transfoob.”

Puberteitsremmers voorgeschreven

In genderklinieken krijgen kinderen vanaf de start van de puberteit – meestal rond de leeftijd van 11-13 jaar – puberteitsremmers voorgeschreven, die de ontwikkeling van de zogeheten secundaire geslachtskenmerken onderdrukken, zoals de groei van borsten bij meisjes en de baardgroei bij jongens. Vanaf vijftien jaar kunnen tieners starten met een hormoonbehandeling. Meisjes krijgen testosteron voor 'vermannelijking' en jongens krijgen oestrogeen voor ‘vervrouwelijking’. Als tienermeiden zestien jaar oud zijn, mogen zij hun borsten laten verwijderen (mastectomie); voor alle andere ‘geslachtsveranderende’ operaties is een minimumleeftijd van achttien jaar vereist.

Hormoonbehandelingen kunnen blijvende gevolgen hebben

Een ‘geslachtsveranderende’ operatie maakt iemand per definitie onvruchtbaar. De langetermijnbijwerkingen van puberteitsremmers kunnen zeer ernstig zijn, zoals onvruchtbaarheid en zwakkere botten. Over het effect van puberteitsremmers op de ontwikkeling van de hersenen is nog veel onduidelijk. Ook hormoonbehandelingen kunnen blijvende gevolgen hebben, zoals een verlaagde stem en haaruitval voor meisjes en onvruchtbaarheid voor jongens. “Dus je geeft zware medicijnen met ernstige risico’s en onbekende langetermijneffecten aan kinderen, die psychische problemen hebben en hersenen die nog niet ontwikkeld genoeg zijn om moeilijke beslissingen te nemen. Dat is dus nogal wat,” zegt apotheker Leontien Bakermans, die wel vindt dat er een behandeling nodig is voor iemand die van geslacht wil veranderen.

Bestel gratis: Seksuele indoctrinatie in schoolboeken

Waarom lichaam aanpassen aan geest?

“Maar een behandeling gericht op het veranderen van geslacht lijkt me niet de juiste, omdat je je geslacht niet kúnt veranderen,” zegt ze. “Wat moet je dan wel doen? Er is bijna niemand die het nog durft te zeggen, maar volgens bijvoorbeeld de Amerikaanse professor Psychiatrie Stephen Levine – en hij is zeker niet de enige – moet je niet behandelen met medicatie, maar moet je de psychische aandoening en de onderliggende oorzaken aanpakken, eventueel met psychoanalyse. Dan blijkt dat na het doorlopen van een normale puberteit de genderdysforie bij 80 tot 95 procent van de kinderen voorbij is. Zij zijn dan weer gewoon tevreden met hun eigen geslacht en dat is natuurlijk wat je eigenlijk wilt.” Bakermans krijgt bijval van Verheul: “Waarom zou je het lichaam aanpassen aan de geest, in plaats van dat we de geest leren dat alles veranderlijk is; en dat als we ongelukkig zijn, we ook gelukkig kunnen worden?”

Duidelijkheid een noodzaak

Het is daarom van het grootste belang dat er snel echte duidelijkheid komt over de explosief toegenomen vraag naar transgenderzorg. Als blijkt dat sociale besmetting geen rol speelt, zou dat een hoop onrust in de samenleving wegnemen. En als het omgekeerde waar is, kan ingezet worden op het voorkomen dat mensen zich melden bij genderklinieken vanuit een tijdelijke bevlieging als gevolg van externe invloeden. Want de behandelingen die zij daar krijgen, kunnen onomkeerbaar en levensveranderend zijn. In landen om ons heen maakt men inmiddels een pas op de plaats met het medicaliseren van genderdysfore kinderen, omdat de risico’s niet opwegen tegen de mogelijke voordelen. De gezondheidsautoriteiten in het Verenigd Koninkrijk, Finland en Zweden besloten onlangs om bij kinderen de nadruk te leggen op psychotherapie en puberteitsremmers alleen nog voor te schrijven in het uiterste geval. In Florida is men er helemaal mee gestopt. En ook in Frankrijk en België is een debat ontstaan over het voorschrijven van puberteitsremmers en hormonen aan jongeren.

Ondanks herhaaldelijke verzoeken waren de Radboud-onderzoekers niet beschikbaar voor een reactie.

Dit artikel is eerst verschenen op Blckbx en met toestemming overgenomen.

--

Een principieel, niet een persoonlijk standpunt

Dit artikel heeft als doel het verdedigen van het huwelijk, het gezin en de moraal volgens de katholieke leer. Op geen enkele manier is het onze bedoeling personen te belasteren. Wij oefenen simpelweg onze vrijheid uit als kinderen van God (Rom. 8:21), zodat "iedere tong zou belijden tot glorie van God de Vader, dat Jezus Christus de Heer is." (Fil. 2:11).

Laatst bijgewerkt: 13 juli 2023 15:40

Doneer