Een op wetenschappelijk bewijs gebaseerde reactie op het publieke debat over RSV in Nederland

Een op wetenschappelijk bewijs gebaseerde reactie op het publieke debat over RSV in Nederland

Wij [red. het Institute for Research & Evaluation] leveren de volgende bijdrage aan het publieke debat dat in Nederland gaande is over Relationele en Seksuele Vorming (RSV; in het Engels “Comprehensive Sex Education” genoemd, afgekort CSE) op scholen. Als wetenschappers die talrijke onderzoeken hebben uitgevoerd ter evaluatie van seksuele voorlichtingsprogramma's op scholen, verwelkomen wij deze gelegenheid. Er is behoefte aan een serieus debat, een debat dat eerlijk naar het bewijs kijkt in plaats van het werk van gerenommeerde professionals te kleineren of onjuist te weergeven.

Een brief van een groep van vier professionals, Van Lunsen et al., bekritiseert de inspanningen van Civitas Christiana (CC) om het curriculum voor seksuele voorlichting in Nederland ter discussie te stellen. De kern van de zorgen van de groep van Van Lunsen lijkt te zijn dat CC de kritiek op RSV heeft gebaseerd op een overzichtsstudie van het Instituut voor Onderzoek en Evaluatie (The Institute for Research and Evaluation in het Engels, afgekort IRE) dat in 2019 in een peer-reviewed wetenschappelijk tijdschrift is gepubliceerd.[1] In de brief van Van Lunsen wordt gesteld dat dit IRE-overzicht “onwetenschappelijk en onjuist is, waarbij de auteurs selectief pseudo-bewijs gebruiken om hun vooringenomen conclusies te bevestigen, terwijl ze uitgebreid en wetenschappelijk onderbouwd bewijs dat het tegendeel aantoont negeren.” Als bewijs voor deze beweringen halen ze de kritiek van medewerkers van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aan. Hieronder volgt een reactie van het IRE op deze kritiek. 

1. Het Institute for Research and Evaluation is een internationaal gerespecteerd wetenschappelijk instituut.

IRE is een in 1986 opgerichte wetenschappelijke non-profitorganisatie die gespecialiseerd is in de evaluatie van interventies die zijn ontworpen om risicogedrag bij adolescenten te verminderen en te voorkomen. IRE evalueert al meer dan 35 jaar seksuele voorlichtingsprogramma's op scholen – waarbij meer dan 100 evaluatiestudies zijn uitgevoerd en 2.000.000 tieners zijn betrokken, waaronder onderzoeken in 30 Amerikaanse staten (veelal federaal gefinancierd) en in verschillende andere landen. Onderzoeksartikelen van IRE zijn gepubliceerd in peer-reviewed tijdschriften, waaronder The American Journal of Preventive Medicine, The American Journal of Health Behavior, Issues in Law and Medicine, Journal of Applied Psychology, Adolescence en The Journal of Research and Development in Education.

Stan E. Weed, Ph.D., oprichter en directeur, is nationaal adviseur geweest voor Amerikaanse federale Title XX- en CBAE-projecten; een van de oprichters van de National Campaign to Prevent Teen and Unplanned Pregnancy (nu Power to Decide genoemd); is uitgenodigd om als deskundige te getuigen over seksuele voorlichting voor wetgevende instanties van Amerikaanse staten, de Amerikaanse Senaat, het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden en het Witte Huis; en is adviseur geweest voor het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid en Human Services (2018).

Irene H. Ericksen, M.S., Senior Research Associate, is al 20 jaar actief op het gebied van onderzoek naar seksuele voorlichting; was een van de zes nationale adviseurs bij een baanbrekende, door het CDC gesponsorde meta-analyse over de effectiviteit van seksuele voorlichting (2012); is als gastspreker uitgenodigd bij de National Academies of Sciences (2019), de Civil Society Conference van de Verenigde Naties (2019) en het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid en Human Services (2020); en heeft als uitgenodigde deskundige getuigd tijdens hoorzittingen van Amerikaanse staatswetgevers (2023) en in nationale en internationale rechtszaken (2022, 2026).

2. De publicatie van de kritiek van de WHO op het onderzoek van IRE roept vragen op over de motivatie ervan.

In plaats van te worden gepubliceerd in een neutraal wetenschappelijk tijdschrift, is de kritiek van de WHO te vinden in de publicatie van een belangenorganisatie, Sexual and Reproductive Health Matters, die zichzelf omschrijft als “een gemeenschap van onderzoekers, activisten en andere deskundigen” die zich inzet “om ideologie en machtsgedreven politiek te verschuiven … in de richting van mensenrechten en sociale rechtvaardigheid … [met] expliciete aandacht voor seksuele en reproductieve rechtvaardigheid” (zie https://www.srhm.org/about-us/).[2]  De bewering van Van Lunsen dat de IRE-evaluatie wordt gedreven door “ideologische standpunten” lijkt juist van toepassing te zijn op de kritiek van de WHO op het onderzoek van het IRE.

3. De IRE-evaluatie maakte gebruik van een wetenschappelijke definitie van de effectiviteit van seksuele voorlichting om Relationele en Seksuele Vorming (RSV) onder schoolgaande kinderen te beoordelen.

IRE identificeerde onderzoeken naar RSV op school in 3 databases (in totaal 103 onderzoeken, zie eindnoot 3 hieronder voor bronnen) en onderzocht de bevindingen van de onderzoeken volgens een wetenschappelijke definitie van programma-effectiviteit. Deze definitie was gebaseerd op het wetenschappelijke domein van preventieonderzoek, waaronder het werk van instanties als The Society for Prevention Research (SPR) en Blueprints for Healthy Youth Development. De criteria voor deze definitie zijn dat een effectief RSV-programma een significant positief effect moet hebben op de doelgroep (niet alleen een subgroep) gedurende 12 maanden na afloop van het programma, voor een van de belangrijkste uitkomsten op basis van beschermend gedrag (onthouding, condoomgebruik, zwangerschap of soa's – de wetenschappelijke onderbouwing voor deze uitkomsten werd gegeven in de IRE-publicatie), en zonder andere negatieve effecten te veroorzaken op risicogedrag bij tieners (deze eis wordt zowel door SPR als Blueprints gesteld).[4]  Deze definitie heeft zowel wetenschappelijke geloofwaardigheid als praktisch nut. Een op school aangeboden RSV-programma dat gericht is op een specifieke schoolklas of leeftijdsgroep moet bijvoorbeeld een positief effect op het gedrag hebben in die hele klas of leeftijdsgroep, niet slechts in een deel ervan; het effect moet van het ene schooljaar tot het volgende (d.w.z. 12 maanden) aanhouden, wanneer een nieuwe “dosis” kan worden toegediend; het moet gedragingen verbeteren die daadwerkelijk beschermend zijn, en het mag ander risicogedrag niet versterken.

Het gebruik van deze rigoureuze, wetenschappelijke definitie van programma-effectiviteit is een van de belangrijkste redenen waarom de bevindingen van het IRE "zo aanzienlijk verschillen van veel andere onderzoeken". De meeste gangbare boodschappen die beweren dat RSV effectief is, hanteren een ineffectieve, niet-wetenschappelijke set criteria om het succes van het programma te definiëren: korte termijn resultaten (die slechts 3 maanden duren), effecten voor slechts een subgroep van de doelgroep, geen effecten op de belangrijkste beschermende uitkomsten waarop het programma is gericht, en het optreden van andere negatieve programma-uitkomsten is aanvaardbaar. Deze definitie van programma-effectiviteit is niet wetenschappelijk onderbouwd en is niet toereikend om adolescenten echte bescherming te bieden. Toch vormt deze definitie de basis van het zogenaamde “uitgebreide en wetenschappelijk onderbouwde bewijs van het tegendeel” waarnaar in de brief van Van Lunsen wordt verwezen. Voorbeelden van RSV-programma's die aan deze lage normen voldeden werden tijdens de regeringen van Obama en Biden door het Amerikaanse ministerie van Volksgezondheid en Human Services opgenomen op de lijst van programma’s die bewijs van effectiviteit tonen” op de website voor de preventie van tienerzwangerschappen.

4. De heranalyse door de WHO van de RSV-resultatendata rapporteert in feite resultaten die vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke bevindingen van het IRE: weinig bewijs van effectiviteit en een zorgwekkende hoeveelheid schadelijke effecten.

Met behulp van de wetenschappelijke definitie van programma-effectiviteit die door IRE wordt gehanteerd (zie hierboven), analyseerden de onderzoekers van de WHO de niet-Amerikaanse onderzoeken in het IRE-overzicht en kwamen zij tot vergelijkbare resultaten.2

  1. De WHO meldde dat slechts 6 van de 43 internationale onderzoeken bewijs leverden voor de effectiviteit van RSV op school, slechts 3 meer dan het IRE rapporteerde. Het IRE is het er niet mee eens dat er 6 van dergelijke onderzoeken zijn; de onderzoekers van de WHO hebben bij de interpretatie van de onderzoeksresultaten verschillende fouten gemaakt. Zo noemden ze in één geval een subgroepseffect een algemeen effect,[5]  in een ander geval schreven ze een effect 12 maanden na afloop van het programma toe terwijl daar geen aanwijzingen voor waren,[6] en in weer een ander geval beschouwden ze een programma als effectief dat meerdere negatieve effecten op de deelnemers had gehad.[7] Ondanks deze fouten, bevestigt dit dat de WHO, net als het IRE, nog steeds slechts een kleine minderheid van de onderzoeken vond die de effectiviteit van het programma aantoonden: volgens de WHO slechts 13,9%.
  2. De WHO documenteerde ook dat 8 onderzoeken een schadelijke impact van het programma aantoonden, dat wil zeggen een toename van risicogedrag bij tieners (gecorrigeerd voor een fout waarbij WHO-onderzoekerseen negatief statistisch resultaat rapporteerden, maar dit ten onrechte als een positief/gewenst effect bestempelden, zie eindnoot 8). De 8 onderzoeken met negatieve effecten die door de WHO werden gerapporteerd (19%) zijn vergelijkbaar met de 9 (21%) die door IRE werden gerapporteerd.

De kritiek van de WHO bevestigt dus de algemene conclusie van het IRE dat er weinig bewijs is voor de werkelijke effectiviteit van RSV op scholen, en bevestigt tevens de beweringen van Civitas Christiana dat RSV-programma's op scholen een zorgwekkende hoeveelheid negatieve gevolgen hebben gehad.

5. De kritiek van de WHO op het IRE-onderzoek bevat een groot aantal feitelijke onjuistheden, waardoor de geldigheid ervan teniet wordt gedaan.

IRE heeft de kritiek van de WHO nauwkeurig bestudeerd en constateerde een foutenpercentage van 56% in de interpretatie van wetenschappelijke gegevens, evenals flagrante fouten in de weergave van het doel en de methoden van IRE.

  1. De kritiek van de WHO beweert dat er 66 gevallen van "discrepanties" zijn tussen de bevindingen die in de IRE-gegevenstabel worden gerapporteerd en de bevindingen van de 43 onderzoeken die IRE heeft beoordeeld.[2] IRE-analisten hebben elk van deze beweringen zorgvuldig onderzocht in vergelijking met de tekst en data uit elk van de betreffende oorspronkelijke onderzoeken, evenals de overeenkomstige vermeldingen in de gegevenstabel van IRE. IRE constateerde dat de vermeende discrepanties in slechts 9 van de 66 gevallen konden worden geverifieerd, en geen van deze gevallen veranderde de algemene resultaten of conclusies van de IRE-analyse.[9] Het meest zorgwekkend is dat 37 van de vermeende IRE-discrepanties in feite fouten waren van de WHO-onderzoekers, gebaseerd op verkeerde interpretaties van onderzoeksgegevens; 37 fouten op 66 vermeende discrepanties komt neer op een foutenpercentage van 56% voor de WHO. (Een voorbeeld van een dergelijke fout door de WHO-onderzoekers wordt beschreven in eindnoot 8.) De gedetailleerde analyse van IRE van de WHO-fouten is in tabelvorm beschikbaar op https://institute-research.com/wp-content/uploads/2024/05/IRE_Review_of_WHO_Table_B1_Discrepancies5-20-24.pdf.
  2. De kritiek van de WHO bevatte veel feitelijk onjuiste beweringen over de methodologie van het IRE, waardoor een verkeerd beeld werd geschetst dat het om “slechte wetenschap” ging. Zo wordt bijvoorbeeld beweerd dat de “indeling van indicatoren in belangrijke beschermende indicatoren versus minder beschermende indicatoren” door het IRE niet werd uitgelegd. Dit is een duidelijke onjuiste voorstelling van zaken. Het IRE-rapport gaf een gedetailleerd overzicht (p. 6) van de wetenschappelijke onderbouwing voor condoomgebruik en onthouding als “belangrijke beschermende indicatoren” (zwangerschap en soa’s spreken voor zich).[1] En voetnoot 20 in het IRE-rapport (geciteerd op p. 5, waar de belangrijkste indicatoren voor het eerst in de tekst werden genoemd) gaf een gedetailleerde wetenschappelijke onderbouwing voor de bepaling van “minder beschermende indicatoren”.”

6. De WHO hanteerde een dubbele standaard in haar kritiek op het IRE-rapport.

Zo kreeg IRE bijvoorbeeld kritiek omdat het zich baseerde op de beoordeling van UNESCO voor de kwaliteit van de onderzoeken en geen eigen beoordeling uitvoerde van de wetenschappelijke kwaliteit van de opgenomen onderzoeken. (De reden hiervoor werd door IRE uitgelegd als de wens om de onderzoeken te evalueren die UNESCO als wetenschappelijk adequaat beschouwde.) Tegelijk prezen de onderzoekers van de WHO echter een overzicht van onderzoek door Goldfarb en Lieberman (2021) om zijn “validiteit en nauwkeurigheid”, hoewel de auteurs geen enkele screening hadden uitgevoerd op de wetenschappelijke kwaliteit van de 80 onderzoeken die in hun overzicht waren opgenomen.[10] Goldfarb en Lieberman erkenden zelfs het “aanzienlijke aantal onderzoeken met minder rigoureuze opzet, kleinere steekproeven en/of meer kwalitatief gebaseerde [d.w.z. subjectieve] benaderingen” (p. 4) dat zij hadden opgenomen. Maar de onderzoekers van de WHO hadden geen moeite met het extreme gebrek aan nauwkeurigheid in een onderzoek dat zij goedkeurden.

7. Sinds 2018 hebben 15 systematische reviews weinig bewijs aangetoond voor de effectiviteit van RSV.

IRE onderzocht 15 systematische reviews die sinds 2018 zijn uitgevoerd, identificeerde de onderzoeken over RSV op school die in elk daarvan waren opgenomen, en evalueerde de programma-uitkomsten aan de hand van een wetenschappelijke definitie van de effectiviteit van seksuele voorlichting (zie punt 3 hierboven).[11] Zij constateerden dat slechts 6 van de ongeveer 234 opgenomen onderzoeken bewijs leverden voor de effectiviteit van het programma. En geen van de 6 leverde nieuw bewijs, dat wil zeggen, dit betrof onderzoeken die reeds waren opgenomen in de overzichtsstudie van IRE uit 2019. Onderstaand een tabel met deze analyse.

Tabel 15 reviews IRE

(bron)

8. Haberland, 2015, levert geen wetenschappelijke steun voor RSV op school.

De critici van Civitas Christiana verwijzen naar onderzoek van Haberland (2015), die een systematische review van evaluatiestudies uitvoerde.[12] Slechts 10 van de 22 door Haberland beoordeelde onderzoeken betreffen echter RSV op school en zijn daarom relevant voor dit debat. En geen van deze 10 onderzoeken toont bewijs van de effectiviteit van RSV wanneer wetenschappelijke criteria voor de effectiviteit van programma's worden gehanteerd (zie punt 3 hierboven). Bovendien lieten 4 van de 22 onderzoeken negatieve programma-effecten zien: afgenomen gebruik van voorbehoedsmiddelen (Kirby et al., 1997), eerder beginnen met seksuele activiteit en een groter aantal partners (Dupas, 2011), een toename van betaalde seks (Jewkes, et al., 2008) en een toename van soa’s (Ross, et al., 2007). (Deze negatieve effecten worden niet vermeld in de samenvattingen van de onderzoeken, maar alleen in het gedeelte 'Resultaten' van elk onderzoek.) Bovendien hebben twee andere onderzoeken in het overzicht van Haberland betrekking op programma's (Reducing the Risk en Teen Outreach Program) die in andere gepubliceerde onderzoeken negatieve resultaten hebben laten zien.[13] Het onderzoek van Haberland toont dus weinig bewijs voor de effectiviteit van RSV op school en wijst op substantieel bewijs van schadelijke effecten van RSV-programma's (in totaal 6 van de 22 programma's). 

9. Een patroon van resultaten

De onderzoeksresultaten die zijn gerapporteerd in de overzichtsstudie van IRE uit 2019, samen met de hierboven aangehaalde resultaten, laten een consistent patroon van resultaten zien over een periode van meer dan 30 jaar waarin RSV wereldwijd in schoolklassen is geïmplementeerd. Er is zeer weinig bewijs voor een blijvend beschermend effect op het gedrag en er is meer bewijs voor schadelijke effecten dan door voorstanders van RSV wordt erkend, wanneer de uitkomsten van experimentele onderzoeken (die nodig zijn om causale effecten te testen) worden gebruikt.[14]

10. Conclusie

Civitas Christiana is volledig gerechtvaardigd om zich te baseren op de IRE-overzichtsstudie uit 2019 die is gepubliceerd in het tijdschrift Issues in Law and Medicine, evenals op de bijgewerkte onderzoeksresultaten die in dit document worden gepresenteerd. Wij staan achter deze resultaten. Voor meer informatie over deze bevindingen, zie de bijgevoegde weerlegging van IRE op de kritiek van de WHO, de bijgevoegde tabel met systematische reviews en deze link voor een tabel met de gedetailleerde analyse van IRE van de wetenschappelijke fouten die in de kritiek van de WHO zijn aangetroffen: https://institute-research.com/wp-content/uploads/2024/05/IRE_Review_of_WHO_Table_B1_Discrepancies5-20-24.pdf.

11. Aanbevelingen

Wij nodigen de critici van Civitas Christiana uit om RSV-programma’s op scholen aan te wijzen die voldoen aan deze wetenschappelijke definitie van effectiviteit, gebaseerd op bewijs uit peer-reviewed, gepubliceerde onderzoeken met een experimenteel ontwerp. Er zal een voldoende aantal nodig zijn om het brede patroon van bewijs dat hier door IRE is geïdentificeerd te weerleggen. Verder bevelen wij aan dat de Nederlandse rijksoverheid opdracht geeft tot een experimenteel onderzoek met een follow-up van 12 maanden om de effectiviteit van de RSV-programma's in de scholen van het land te evalueren. Een dergelijk onderzoek moet worden uitgevoerd door onafhankelijke wetenschappers die geen belang hebben bij de uitkomst en moet gebruikmaken van de wetenschappelijke definitie van effectiviteit zoals beschreven in paragraaf 3 hierboven.

Teken daarom vandaag nog de petitie aan de minister van Onderwijs: "Stop de Week van de Lentekriebels!"

(Artikel gaat verder onder deze boodschap)

Expliciet seksueel 'onderwijs' dat ingaat tegen de christelijke waarden en normen waar dit land op is gebouwd, hoort niet thuis op de basisschool. Het is daarom verwerpelijk dat jonge kinderen tijdens de Week van Lentekriebels blootgesteld worden aan de immorele seksuele ideeën van Rutgers. Ik roep u op om onmiddellijk een streep te zetten door de Week van Lentekriebels om de onschuld van jonge kinderen te waarborgen.

Aanhef: 
Subscribed
  • Door verder te gaan gaat u ermee akkoord correspondentie van Stichting Civitas Christiana te ontvangen. In ons privacybeleid leggen we uit hoe we uw gegevens beschermen en gebruiken. U kunt op elk moment uitschrijven.

    Dit is een vertaling van het werk van IRE. Het oorspronkelijke Engelstalige werk is hier beschikbaar.

    Eindnoten

    1. Ericksen, I.H. en Weed, S.E. (2019). "Re-Examining the Evidence for School-based Comprehensive Sex Education: A Global Research Review." Issues in Law and Medicine, 34(2):161-182.
    2. VanTreeck K, Elnakib S, & Chandra-Mouli V. (2023) A reanalysis of the Institute for Research and Evaluation report that challenges non-US, school-based comprehensive sexuality education evidence base. Sexual and Reproductive Health Matters, 31:1, 2237791, DOI: 10.1080/26410397.2023.2237791
    3. De IRE-evaluatie onderzocht de onderzoeken die door drie gezaghebbende instanties werden onderschreven: de meta-analyse van seksuele voorlichting door het CDC (2012), de U.S. Teen Pregnancy Prevention Evidence Review (de TPP-update van 2016) en de Technische Richtlijnen voor Seksuele Voorlichting van UNESCO uit 2018. Elk van deze instanties had RSV onderschreven als een effectieve strategie voor seksuele voorlichting, op basis van hun beoordeling van het wetenschappelijk bewijs. Het doel van IRE was om die bewijsbasis te onderzoeken en daarover te rapporteren, in totaal 103 onderzoeken naar RSV op school. In het geval van UNESCO 2018 staan deze onderzoeken vermeld op p. 129:  “Appendix V. Studies referenced as part of the evidence review 2016.” Op deze pagina staat dat “die [citaten] gemarkeerd met * zijn opgenomen in de analyse van systematische reviews en hoogwaardige evaluaties.” IRE nam de met * gemarkeerde onderzoeken op en, wanneer dat onderzoek een systematische review was, nam het ook de individuele onderzoeken op die in die review werden geciteerd, aangezien deze de basis vormden voor de bevindingen van de systematische review.
    4. Deze normen of criteria voor effectiviteit zijn gebaseerd op het werk van het wetenschappelijke veld van preventieonderzoek, met name The Society for Prevention Research en Blueprints for Healthy Youth Development. Zie het werk van: Flay BR, Biglan A, Boruch RF, Castro FG, Gottfredson D. (2005). Standards of Evidence: Criteria for Efficacy, Effectiveness and Dissemination. Prev Sci, 6(3):151–175; Gottredson DC, Cook TD, Gardner FEM, Gorman-Smith D, Howe GW, Sandler IN, Zafft KM. (2015). Standards of Evidence for Efficacy, Effectiveness, and Scale-up Research in Prevention Science: Next Generation. Prev Sci, 16(7):893-926. doi: 10.1007/s11121-015-0555-x; Blueprints for Healthy Youth Development: Blueprints Standards. Beschikbaar op: https://www.blueprintsprograms.org/blueprints-standards/
    5. Mathews C, Aarø LE, Grimsrud A, Flisher AJ, et al. (2012 – vermeld als 2010 in het IRE-rapport). Effects of the SATZ teacher-led school HIV prevention programmes on adolescent sexual behaviour: cluster randomised controlled trials in three sub-Saharan African sites. International Health, (4) 111–122, Locatie 3. Toen mannen en vrouwen afzonderlijk werden geanalyseerd (p. 117, aanvullende tabellen 3 & 4), werd het effect alleen bij mannen en niet bij vrouwen vastgesteld. Zo werd duidelijk dat het om een subgroepeffect ging .
    6. Dente, M, Fabiani, M, Okwey, R, Conestà, N, et al. (2005). Impact of Voluntary Counselling and Testing and Health Education on HIV Prevention among Secondary School Students in Northern Uganda. VCT AND HEALTH EDUCATION FOR HIV PREVENTION; 3 (1) 1 – 11. Op pagina 2 staat dat het een “post-test only control group study” betrof. Er waren geen aanwijzingen dat een langetermijneffect (12 maanden) na afloop van het programma werd gemeten.
    7. Visser M. (2007). HIV/AIDS prevention through peer education and support in secondary schools in South Africa,  SAHARA-J: Journal of Social Aspects of HIV/AIDS, 4:3, 678-694, DOI: 10.1080/17290376.2007.9724891. Het programma zorgde voor een toename van het aantal seksuele partners onder tieners en van het aantal gevallen van gedwongen geslachtsgemeenschap.
    8. De onderzoekers van de WHO stelden dat 7 onderzoeken een negatief effect van het programma aantoonden. Voor één extra onderzoek dat echter een negatief effect van het programma constateerde, rapporteerde het WHO-onderzoek het negatieve statistische resultaat weliswaar correct, maar bestempelde het vervolgens ten onrechte als een positief/gewenst effect. (Zie Merakou K, Kourea-Kremastinou J. (2006). Peer education in HIV prevention: an evaluation in schools. European Journal of Public Health, Vol. 16, No. 2, 128–132. Op p. 131 stelt het onderzoek: “meer studenten uit de interventiegroep begonnen met seks.” Het aantal maagdelijke studenten daalde significant in de interventiegroep, p<0,001, maar niet in de controlegroep, p<0,064. Dit was een ongewenst programma-effect, en werd als zodanig bestempeld door de auteurs van het onderzoek.) Op basis van de correcte rapportage door de WHO van dit negatieve statistische resultaat, en gecorrigeerd voor hun onbetwistbare fout om het als wenselijk te bestempelen, documenteerde de WHO-analyse 8 RSV-onderzoeken (19%) die schadelijke programma-effecten aantoonden. De WHO beweerde dat IRE een fout maakte door dit resultaat als negatief te interpreteren, terwijl hun eigen verkeerde interpretatie op zichzelf al een zeer fundamentele fout is bij het interpreteren van de onderzoeksresultaten.
    9. The Institute for Research & Evaluation. (2024). Rebuttal to a Critique by the World Health Organization. October 15, 2024, Revised. https://institute-research.com/wp-content/uploads/2024/05/Rebuttal_to_WHO_Critique_of_IRE_Global_CSE_Review_5-20-24.pdf
    10. Goldfarb E en Lieberman L. (2021). Three Decades of Research: The Case for Comprehensive Sex Education. J Adolesc Health, 68(1):13-27. doi: 10.1016/j. jadohealth .2020.07.036
    11. Akmala JK, Pamungkasari EP, Prasetya H (2021). Meta Analysis of the Effect of School-Based Sexual Education on the Risk of Pregnancy and Human Immunodeficiency Virus Infection in Adolescents. J Health Promote Behav, 06(01): 67-79; BarriusoOrtega S, Fernandez-Hawrylak M, Heras-Sevilla D. (2024). Sex education in adolescence: A systematic review of programmes and meta-analysis. Children and Youth Services Review, 166 (2024) 107926; Bordogna A, Coyle, AC, Nallamothu R, Manko AL, Yen RW. (2023). Comprehensive sexuality education to reduce pregnancy and STIs in adolescents in the United States: A systematic review and meta-analysis. American Journal of Sexuality Education, v18 n1 p39-83; Evans, R., Widman, L., Stokes, M. N., Javidi, H., Hope, E. C., & Brasileiro, J. (2020). Association of Sexual Health Interventions With Sexual Health Outcomes in Black Adolescents: A Systematic Review and Meta-analysis. JAMA pediatrics, 174(7), 676–689; Goldfarb E and Lieberman L. (2021). Three Decades of Research: The Case for Comprehensive Sex Education. J Adolesc Health, 68(1):13-27; Juras, R., Kelsey, M., Steinka-Fry, K., Lipsey, M., Layzer, J., & Tanner-Smith, E. (2022). Metaanalysis of federally funded adolescent pregnancy prevention program evaluations. Prevention Science, 23(7), 1169-1195; Kim, E.J., Park, B., Kim, S.K., Park,,M.J., Lee, J.Y., Jo, A.R., Kim, M.J., Shin, H.N. (2023). A Meta-Analysis of the Effects of Comprehensive Sexuality Education Programs on Children and Adolescents. Healthcare, 11, 2511; Körük,  S., Aypay, A., Salimoğlu, K. B., & Yılmaz-Din., S. (2019). An Examination of the Effectiveness of Various Intervention Programs in Increasing Sexual Health Knowledge and Behaviors in Adolescents: A Meta-analysis. Bartın University Journal of Faculty of Education, 8(1), 299-321; Loureiro, F., Ferreira, M., Sarreira-de-Oliveira P., Antunes, V. (2021). Interventions to Promote a Healthy Sexuality among School Adolescents: A Scoping Review. J. Pers. Med, 11, 1155; Marseille E, et al. (2018). Effectiveness of school-based teen pregnancy prevention programs in the USA: a systematic review and meta-analysis, Prevention Science, 19(4):468–489 prevention programs in the USA: a systematic review and meta-analysis, Prevention Science, 19(4):468–489; Mirzazadeh A, Biggs MA, Viitanen A, Horvath H, Wang LY, Dunville R, et al. (2018). Do School-Based Programs Prevent HIV and Other Sexually Transmitted Infections in Adolescents? A Systematic Review and Meta-analysis. Prev Sci, DOI 10.1007/s11121-017-0830-0; Morales A, Espada JP, Orgilés M, Escribano S, Johnson BT, Lightfoot M (2018). Interventions to reduce risk for sexually transmitted infections in adolescents: A meta-analysis of trials, 2008-2016. PLoS ONE 13(6):0199-421; Niland R , Flinn C, Nearchou F. (2024). Assessing the role of school-based sex education in sexual health behaviours: a systematic review. Cogent Psychology, VOL. 11, NO. 1, 2309752; Pivazyan L,  Avetisyan J, Krylova E, Davydova Y, Kurbatova K, Zarova E. (2025). Sexual education and adolescents: a systematic review and meta-analysis. Italian Journal of Gynaecology and Obstetrics, DOI:10.36129/jog.2025.228; Sierra‑Yague A, Zafra‑Agea JA, Aguilar‑Quesada A, Gonzalez‑Cano‑Caballero M, Del‑Pino‑Casado R, Lima‑Serrano M. (2025). A Systematic Review and Meta‑analysis of Gamified Affective Sexual Health Interventions in Schools. Sexuality Research and Social Policyhttps://doi.org/10.1007/s13178-025-01118-3
    12. Haberland, N. (2015). The case for addressing gender and power in sexuality and HIV education: A comprehensive review of evaluation studies. International Perspectives on Sexual and Reproductive Health, Vol. 41, No. 1, pp. 31-42.
    13. Kelsey M, Blocklin M, Price C, Juras R, Freiman L, et al. (2016). Replicating Reducing the Risk: 12-Month Impacts of a Cluster Randomized Controlled Trial. American Journal of Public Health, 106(S1), S45–S52; Abt and Associates. (2018). Reducing the Risk: Impactbevindingen uit de Teen Pregnancy Prevention Replication Study (onderzoeksrapport en bevindingen van de impactevaluatie), 5 november 2018. Ministerie van Volksgezondheid en Human Services van de VS. Opgehaald van https://aspe.hhs. gov/pdf-report/reducing-risk-impacts-teen-pregnancy-prevention-replication-study-research-brief; Philliber AE, Philliber S, Brown S. (2015). Evaluation of the Teen Outreach Program®  in de Pacific Northwest. Accord, NY: Philliber Research & Evaluation.  Zie: https://tppevidencereview.aspe.hhs.gov/StudyDetails.aspx?id=529; Walsh-Buhi ER, Marhekfa SL, Wang W, et al. (2016) The impact of the Teen Outreach Program on sexual intentions and behaviors. Journal of Adolescent Health 59: 283–290.
    14. Voorstanders van RSV beweren soms bewijs te hebben voor een positieve impact aan de hand van correlatie- of cross-sectionele onderzoeken, die echter niet in staat zijn om op wetenschappelijke wijze oorzaak en gevolg of de richting van een statistisch correlatief verband vast te stellen en dus de impact van CSE-programma's niet kunnen meten.

    Laatst bijgewerkt: 7 april 2026 14:00

    Minister, stop de Week van de Lentekriebels!

    Doneer