De “normalisering” van homoseksualiteit en Humanae Vitae

juli 3, 2020 Redactie

Lezing van dr. Gerard J.M. van den Aardweg van mei 2018 op het jaarlijkse congres van de John Paul II Academy for Humans Life and the Family in Rome. Origineel gepubliceerd op Lifesitenews.com, 28 mei 2018.

Homoseksualiteit moet worden gedefinieerd in termen van zich aangetrokken voelen tot. [i] Het is de toestand van het zich chronisch of periodiek seksueel aangetrokken voelen tot de eigen sekse, gepaard met rudimentaire of verminderde heteroseksuele interesse, en dit na de puberteit, stel 17-18 jaar. Volgens de beste schattingen heeft minder dan 2% van de mannen deze neiging, en minder dan 1,5% van de vrouwen. [ii]

De term “homo” (het Engelse woord “gay”) zal ik gebruiken voor degenen die ervoor kiezen om hun neiging normaal te verklaren en uit te leven; dat is de meerderheid vandaag de dag; ongeveer 20% wil zich echter geen “identiteit” als “homo” aanmeten en op die manier leven. Deze groep heeft geen stem in het openbare leven en wordt gediscrimineerd door de pro-homoseksuele gevestigde maatschappelijke orde. Het maakt een wezenlijk verschil uit of een persoon zijn neiging al dan niet normaliseert. Door dit te doen onderdrukt hij zijn verstand en geweten, want de innerlijke perceptie dat homoseksuele activiteiten contra naturam zijn, is aangeboren en universeel. [iii] Als hij dus begint om tegen zichzelf te liegen, moet hij ook zijn besef van de werkelijke normaliteit van de man-vrouw liefde en van het normale huwelijk met zijn vruchtbare seksualiteit onderdrukken, en wordt hij gedwongen zich wanhopig vast te klampen aan rationalisaties die zijn keuze moeten rechtvaardigen om zichzelf als normaal, gezond en moreel goed te zien. Zo vervreemdt hij zichzelf van de werkelijkheid, sluit hij zich op in een wens-denken en omdat hij niet van zins is de waarheid over zichzelf te zoeken, wil hij de natuurlijke gevoelens en meningen over homoseksualiteit van 98% van de mensheid veranderen, van wie hij vindt dat ze hem vijandig gezind zijn. In werkelijkheid is het niet de maatschappij, de cultuur of de religie waardoor hij wordt vervolgd, maar zijn eigen geweten. [iv]

De homo-normaliseringsideologie zet de zaken op hun kop: “niet ik ben gek, maar jullie zijn het”. De homo-ideologie verkondigt dat homoseksualiteit, met inbegrip van zijn inherente polygamie, een natuurlijk instinct is en dat het trouwe, niet-voorbehoedende huwelijk onnatuurlijk is en staat dus haaks op Humanae Vitae, de prachtige encycliek van paus Paulus VI over geboorteregeling en huwelijksliefde. De homo-ideologie heeft een hekel aan het huwelijk, uit jaloezie en rebellie. Voor zover hij in de Kerk is geïnfiltreerd, en dat is behoorlijk ver, is hij erop uit om zijn belangrijkste obstakel, Humanae Vitae, uit de weg te ruimen.

De homo-ideologie propageert verschillende rechtvaardigingen, die allemaal vals zijn. Hij heeft groot succes gehad met zijn valse dogma’s van biologische veroorzaking, ofwel van het zo-geboren-zijn, en van de onveranderlijkheid van deze stoornis. In feite is de biologische theorie nooit bewezen. Sinds de homo-ideologie het wetenschappelijk bestel begon te tiranniseren na de “gay putsch” van 1973, toen de Amerikaanse Psychiatrische en Psychologische Verenigingen hun wetenschappelijke integriteit hebben opgegeven, zijn er hernieuwde pogingen gedaan, overwegend door activistische homo-onderzoekers, om nu eindelijk een of andere biologische oorzaak op te sporen. Maar interessant genoeg werd precies het tegenovergestelde resultaat bereikt. De biologische mythe is ontploft. Homoseksuelen hebben normale hormonen, genen en hersenen. [v] Zelfs het pro-homo Britse Royal College of Psychiatrists verklaarde in 2014 dat homoseksualiteit geen aangeboren variant van de seksualiteit is.[vi] Maar deze realiteit dringt nauwelijks door.

Ook het dogma van de onveranderlijkheid wordt krachtig verdedigd, want de mogelijkheid van verandering bedreigt niet alleen een belangrijk argument van de normaliseerders, maar ook een noodzakelijk argument voor velen om hun persoonlijke levensstijl te rechtvaardigen. Door de politieke en sociale opmars van de homo-ideologie zijn behandeling of counseling van homoseksualiteit die gericht is op verandering in toenemende mate taboe geworden. Toch zijn psychologische counseling en christelijke zelfhulpinitiatieven buiten het officiële circuit om voortgezet en hebben zij de levensvatbaarheid van deze benaderingen voldoende aangetoond.

Een korte opmerking in dit verband: het overwinnen van deze neigingen is vooral een strijd met zichzelf. [vii] In veel gevallen is er een grote, zelfs radicale en blijvende verandering bereikt, [viii] doorgaans met de steun van een volhardend religieus innerlijk leven. [ix] Het homoseksualiteit promotende politieke bestel probeert deze activiteiten en publicaties echter uit te roeien. Vandaar bijvoorbeeld het huidige Wetsontwerp voor een Verbod op de behandeling van homoseksualiteit in Ierland (Bill of Prohibition of homosexuality treatment, 2018). De homotirannie is over ons heen gekomen, laat daar geen twijfel over bestaan. In 2003 publiceerde prof. Spitzer van de Columbia University, dezelfde psychiater die de overgave van de APA aan de militante homolobby had georganiseerd, zijn studie over de effecten van gezonde hulpverlening  aan 200 mannelijke en vrouwelijke homoseksuelen: Een minderheid was grondig veranderd, de meeste anderen waren verbeterd zowel wat betreft seksuele gerichtheid als algehele emotionele evenwichtigheid. Geen tekenen van schade, maar wel een opmerkelijke afname van depressies. [x] Een orkaan van haat van de zijde van de  homobeweging viel over hem heen, met zo’n furie dat hij zich een gebroken man voelde. Hij verzekerde mij enkele maanden later dat hij zich nooit, maar dan ook nooit meer zou inlaten met dat vreselijke onderwerp homoseksualiteit.

Een van de klassieke homo-rationalisaties is de idealisering van homoliefde als zijnde superieur aan de “vulgaire” heteroliefde: homoliefde zou meer teder, verfijnd, nobel, creatief, vooruitstrevend e.d. zijn. Deze gedachte illustreert de kinderachtige naïviteit van mensen die emotioneel vastzitten aan de fase van hun tienerjaren dat de seksuele liefde tussen volwassen man en vrouw nog buiten hun gezichtsveld ligt. Precies zo idealiseren homoseksuele pedofielen op hun beurt de “liefde” tussen mannen en kinderen van vòòr de puberteit. [xi]

Seksuele gevoelens voor het eigen geslacht zijn puberaal: 40% van de mannelijke homoseksuelen voelt zich (al dan niet exclusief) aangetrokken tot adolescenten, en voor twee derde van hen kan de ideale partner jonger dan 21 jaar zijn. [xii] Zo is pederastie, seksueel contact met minderjarigen in de puberteitsleeftijd altijd een van de meest voorkomende uitingen van homoseksualiteit geweest. (De schandalen met priesters betreffen in overgrote meerderheid pederastie, geen pedofilie. Deze priesters zijn zelden “pedofielen”, maar homoseksuele mannen die voornamelijk of mede gericht zijn op adolescenten. De term “pedofiel” wordt hier dikwijls verkeerd gebruikt want een pedofiel is gericht op kinderen die nog niet in de puberteit zijn. De media willen het doen voorkomen alsof deze schandalen niets met homoseksualiteit te maken hebben, want de ongunstige aspecten van homoseksualiteit mogen niet in de openbaarheid komen. Ze hebben er alles mee te maken. [xiii]).

***

Om u een algemeen idee te geven over waar het volgende over gaat, wil ik u enkele psychologische kern-feiten en inzichten voorleggen. Ik moet me beperken tot mannelijke homoseksualiteit, maar het meeste is ook van toepassing op lesbianisme, met dit verschil dat “vader” moet worden vervangen door “moeder” en “meisjesachtig” door “jongensachtig”.

Gevoelens van homoseksualiteit ontstaan meestal in de puberteit bij jongens die tekort schieten in jongensachtigheid of mannelijkheid, meer specifiek in durf en vechtlust. Zij hebben een gebrek aan jongensachtige flinkheid en de neiging om te zacht voor zichzelf te zijn. Deze karaktereigenschap, die zich in uitgesproken vorm voordoet als gekunstelde “meisjesachtigheid” (“sissiness”) of verwijfdheid, maakt dat zij zich minderwaardig voelen in het gezelschap van andere jongens, minderwaardig in hun mannelijkheid. Deze karaktereigenschap is niet aangeboren, maar het effect van opvoedingsinvloeden, vooral van ouder-kind interacties, en van gewoontevorming. Kort aangeduid: vaak is de onderontwikkelde of onderdrukte mannelijkheid van de pre-homoseksuele jongen het gevolg van een of andere combinatie van een moeder die op een of andere manier zijn gevoelsleven overmatig heeft beheerst en te weinig mannelijkheidsbevorderende invloed van een vader. Variaties op dit patroon komen voor in minstens 60% van de gevallen van mannelijke homoseksualiteit. (Andere belangrijke factoren kunnen zijn: lichamelijke gebreken of handicaps, uitzonderlijk jonge of oude ouders, opvoeding door grootouders, en relaties met broers en zussen). Heel vaak was de jongen op een ongezonde manier gehecht aan en afhankelijk van zijn moeder, terwijl de band met zijn vader gebrekkig was of negatief. Hij kan overbeschermd zijn geweest, verwend, als klein kind behandeld; geadoreerd zijn geweest als moeders lieveling; of door haar te kort zijn gehouden, te weinig zelfstandig, met teveel moederlijke bemoeienis; niet als “een echte jongen” behandeld, soms vervrouwelijkend. Deze factoren van ouder-kind interacties zijn zonder twijfel goed gedocumenteerd.

Toch staan latere homoseksuele neigingen nog nauwer dan met deze ouder-relaties in verband met de factor van een slechte aanpassing aan de jongenswereld gedurende de kinderjaren of de puberteit: de factor van “geïsoleerd staan van leeftijdgenoten” (peer isolation). Het zich buitenstaander voelen in de jongenswereld, zich minderwaardig voelen in jongensachtigheid/mannelijkheid, is traumatisch. Dit gevoel van er niet bij horen kan een gepassioneerd verlangen naar vriendschap opwekken en een verafgoding van jongens die in de ogen van de jongen het soort mannelijkheid bezitten waarvan hij voelt dat hij het niet heeft. Tijdens de puberteit kunnen dergelijke verlangens erotische wensdromen opwekken over het krijgen van lichamelijke affectie van een bewonderde maar ontoegankelijke vriend. Zulke dagdromen zijn sentimenteel, zij komen voort uit zelfmedelijden, uit zelfdramatisering om het alleen zijn, geen vrienden te hebben, niet “een van de andere jongens” te zijn. We raken hier aan een algemeen-menselijke wetmatigheid: veel emotionele moeilijkheden en stoornissen zijn inderdaad begonnen met verdriet, maar in reactie op niet geaccepteerd verdriet is vooral de jonge mens geneigd zelfmedelijden, verongelijktheid en opstandigheid te koesteren, en troost te zoeken in zichzelf koesterende fantasieën. Daardoor gaat zijn natuurlijke egocentrie en ikgerichtheid, die minder overheersend wordt naarmate hij psychisch volwassener wordt, gaat hem nu juist extra sterk beheersen. De diepste bron van veel karakter- en gevoelsproblemen is de aangeboren zelfliefde, dat geldt ook voor homoseksuele fixaties. Vooral als kinderlijke of puberale hunkeringen naar vriendschap vergezeld gaan van regelmatige zelfbevrediging, worden ze obsessief, want het koesteren van deze gevoelens van eigenliefde werkt verslavend.

Kortom, het homoseksueel partner zoeken is een gespannen najagen van onmogelijke puberale illusies. Het is volkomen egocentrisch: de ander wordt volledig geclaimd, hij moet totaal van MIJ zijn; het is smeken om liefde, eisen van liefde, maar het is geen liefhebben. We raken hier een algemeen-menselijke wetmatigheid: veel emotionele moeilijkheden en stoornissen zijn begonnen met verdriet in de jeugd, maar in reactie op verdriet is vooral de jonge mens geneigd gehecht te raken aan zelfmedelijden, verongelijktheid en opstandigheid;  en te in Wanneer iemand deze zucht niet ontgroeid is vóór het bereiken van de volwassenheid, kan de geest van de persoon er door worden beheerst zodat het een autonome drang wordt. Als gevolg daarvan blijft hij gedeeltelijk of zelfs grotendeels emotioneel een adolescent in zijn denken en voelen en gewoonten; in zijn relaties met zijn ouders en anderen, in zijn gevoelens met betrekking tot zijn eigen geslacht en het andere geslacht. Hij wordt nooit volwassen en wordt gedomineerd door onrijpe zelfliefde, overmatige ego-centrie, vooral in zijn hunkering naar zijn eigen geslacht. Filmmaker Pasolini was een van de vele voorbeelden; hij zei van zichzelf dat hij “een grenzeloze honger had naar de liefde van lichamen zonder ziel”. Een Duitse homoseksuele modeontwerper omschreef het als een verslaving aan zout water drinken, hoe meer je drinkt, hoe meer dorst je krijgt. Hoe dan ook, homoseksuele relaties zijn oefeningen van zichzelf-zoeken. “Ik woonde samen met een reeks elkaar opvolgende kamergenoten en tegen sommigen van hen beweerde ik dat ik van ze hield”, zei een homoseksueel van middelbare leeftijd. “Zij bezwoeren me dat ze van mij hielden. Maar homoseksuele banden beginnen en eindigen met seks. … Na de eerste gepassioneerde flirt wordt seks steeds minder frequent. De partners worden nerveus, willen nieuwe sensaties, beginnen elkaar te bedriegen.” Zijn samenvatting van het gemiddelde homoseksuele leven is ontnuchterend, de realistische waarheid zonder puberale idealiseringen en propaganda leugens: “Het homoleven… is een rauwe wereld, ik zou het mijn ergste vijand niet willen toewensen.” [xiv]

Geloof niet in de propaganda voor het zogenaamd nobele, trouwe, liefdevolle homo”huwelijk” van vrome katholieken. Het is een truc om de acceptatie van homoseksualiteit te verkopen. [xv]

Overigens illustreert de zojuist geciteerde homoseksuele man het feit dat behandeling of zelfopvoeding ongetwijfeld een strijd moet zijn tegen de seksuele verslaving, maar bovenal tegen de algehele infantiele zelfzucht en eigenliefde van de betrokken persoon. Strijden tegen de ondeugden en beoefenen van de deugden; bovenal de deugden van eerlijkheid, liefhebben, verantwoordelijkheid, en sterkte of karaktersterkte. Homoseksualiteit  is neurotische seksualiteit. Homoseksualiteit (en pedofiele homoseksualiteit) is een seksuele neurose, maar ook een ziekte van de ziel.

***

Ik kom terug op het hoofdthema. Het pleidooi voor het normaliseren van homoseksualiteit begon in de tweede helft van de 19e eeuw toen anticonceptieve seksualiteit acceptabel werd door de propaganda voor vrije liefde, seksuele hervorming en echtscheiding. Het werd gesponsord door alle Malthusiaanse bewegingen: de socialisten, marxisten, vrijdenkers, humanisten en feministen. In 1897 richtte de homoseksuele marxistische arts Magnus Hirschfeld het Wetenschappelijk Humanitair Comité op en in 1917 het eerste Instituut voor Seksuologie in Berlijn. Het motto van zijn onderneming was per scientiam ad justitiam, via de wetenschap naar de gerechtigheid, en dat motto gaf de eeuwige valse beweringen van de homo-normaliseringsideologie weer, toen zowel als nu. De normaliteitsvisie pretendeert namelijk gebaseerd te zijn op wetenschap en klaagt dat de (christelijke) maatschappij homoseksuelen en lesbiennes onrecht hebben aangedaan door de hun toekomende natuurlijke seksuele rechten te ontzeggen. Maatschappij en godsdienst zullen hun houding moeten veranderen.

Activistische homoseksuelen en lesbiennes hebben een sleutelrol gespeeld in de seksuele hervormingsbeweging. Begrijpelijk, want zij worden bezield door diepgewortelde anti-huwelijkssentimenten. Homoseksuele organisaties zijn altijd keihard pro-abortus, sterilisatie en anticonceptie geweest; geen pro-life manifestatie of een horde schreeuwende, provocerende homo’s en lesbiennes proberen hem te verstoren. Dat is een van de redenen waarom Planned Parenthood en de Population Movement (organisaties voor beperking van de wereldbevolking) “toename van homoseksualiteit aanmoedigen” [xvi] en waarom de vijandigheid van de vrijmetselarij tegenover het normale huwelijk een grote rol heeft gespeeld in de legalisatie van zowel voorbehoedmiddelen als van het homo”huwelijk” [xvii]. En zo zien we Hirschfeld, een verwijfde en zeer promiscue homoseksueel, optreden als leider van het Internationale Congres voor Seksuele Hervorming in Wenen, 1930, waar hij “theatraal uitriep: ‘Beter een liefde zonder huwelijk dan een huwelijk zonder liefde! (‘Lieber eine Liebe ohne Ehe, als eine Ehe ohne Liebe!’).” [xviii] Hij was zich er terdege van bewust dat “vrije liefde” voorbehoedsmiddelen betekent en dat de gewoonte om voorbehoedsmiddelen te gebruiken de tegenstand tegen homoseksualiteit doen afbrokkelen.

Ook de verreweg invloedrijkste seksuele hervormer na de oorlog, de vader van de seksuele revolutie van de jaren ’50 en ’60, was een seksverslaafde homoseksueel (en waarschijnlijk ook een pedofiele homoseksueel): Alfred Kinsey, de oprichter van het naar hem genoemde instituut voor seksuologie, en het brein achter de mensonterende seksuele voorlichting van vandaag. Net als Hirschfeld was hij geobsedeerd door de wens om de morele normen van de maatschappij op basis van het normale huwelijk af te schaffen en homoseksualiteit, pedofilie en incest te normaliseren. Voor hem was het trouwe huwelijk onnatuurlijk, maar waren homoseksualiteit en alle seksuele afwijkingen natuurlijk; abortus zou wettelijk erkend moeten worden; masturbatie, anticonceptieve seksualiteit, overspel en prostitutie waren gezond. Ook Kinsey poseerde als een groot wetenschapper, maar zijn intensief gepromote boeken waren homopropaganda gebaseerd op frauduleus onderzoek. [xix]

Een derde voorbeeld: Simone de Beauvoir, de vriendin van Jean-Paul Sartre, de moeder van het radicale feminisme en van de gendertheorie. Haar invloed in Frankrijk heeft rechtstreeks geleid tot de oprichting van het Ministerie voor Vrouwenrechten en de Commissie de Beauvoir voor Vrouwen. Haar boek De tweede sekse [xx], waarin ze de pueriele stelling poneert dat men niet als vrouw geboren wordt maar tot vrouw gemaakt wordt door de dwang van de cultuur en van het gezin, “de bijbel van de vrouwenbeweging, zette een niet meer te stoppen trein in gang”. [xxi] Ze was een lesbienne, die, zoals vaker het geval is bij lesbiennes, “nooit de wens had gevoeld om een kind te krijgen, [en] zich niet kon voorstellen wat een man en een vrouw ertoe aanzet om dat te willen”. [xxii] Het moederschap riep bij haar “walging, angst en haat” op. [xxiii] “Baby’s vervulden me met afgrijzen”, zei ze. “De aanblik van een moeder met een kind dat het leven uit haar borst zuigt… het vervulde me allemaal met walging” [xxiv]. De verstoorde vrouwelijkheid die ten grondslag lag aan haar lesbisch gedrag maakte van haar een gepassioneerde rebel tegen het huwelijk en het moederschap, een felle propagandiste van anticonceptieve seksualiteit en abortus—en met een vernietigende uitwerking.

Hoewel militante homoseksuelen en lesbiennes zeker niet eens de 2 procent van de bevolking met homoseksuele neigingen vertegenwoordigen, hebben zij door hun invloed op de seksuele hervormings- en feministische bewegingen enorm bijgedragen aan de huidige anticonceptiementaliteit en -gewoonten. Maar niet minder ook door de succesvolle normalisering van hun eigen levensstijl. Dit succes heeft bij velen, vooral in de jongere generaties, het gevoel voor de morele en psychologische ontaarding van anticonceptieve relaties in tegenstelling tot de schoonheid van trouwe, op kinderen gerichte echtelijke liefde nog verder verduisterd. Want als seksuele relaties tussen twee mannen of vrouwen, met hun afstotelijke genitale contacten officieel worden gevierd en als dergelijke verbintenissen, die van nature niet eens monogaam en uiterst neurotisch zijn, de status van “huwelijk” krijgen, dan wordt elke steriele heteroseksuele relatie normaal in vergelijking daarmee. De conclusie van een  studie over de effecten van het homo”huwelijk” in Scandinavië luidde dat het “de boodschap erin had gehamerd dat het eigenlijke huwelijk achterhaald is en dat vrijwel iedere vorm van een gezin… aanvaardbaar is” [xxv]. Dit betekent noodzakelijkerwijs toename van anticonceptie.

***

Kortom, elke goedkeuring of suggestie van goedkeuring van de leugens van de homo-ideologie ondermijnt de leer van Humanae Vitae. Toch zijn dergelijke suggesties al ongeveer een halve eeuw ook te vinden in belangrijke documenten van de katholieke Kerk. Laten we eens kijken:

In 1975 schreef de Verklaring over bepaalde vraagstukken van de seksuele ethiek van de Congregatie voor de Geloofsleer: “Er wordt een onderscheid gemaakt, en het lijkt met enige reden, tussen homoseksuelen wier neiging … van voorbijgaande aard is of tenminste niet ongeneeslijk is, en homoseksuelen die definitief zo zijn vanwege een of ander aangeboren instinct … dat als ongeneeslijk wordt beschouwd”. In die tijd was het onderscheid tussen zogenaamde “kern-” en perifere (oppervlakkige) homoseksualiteit een favoriete pseudowetenschappelijke stelling onder de homonormaliseerders in professionele kringen. Het was kort nadat de homolobby in de American Psychiatric Association de definitie van homoseksualiteit had “genormaliseerd” van ” stoornis” naar “toestand”. De Vaticaanse Verklaring gaf daarmee kritiekloos gezag aan de homodogma’s “zo geboren” en “onveranderlijk”. Misschien pure naïviteit, maar in ieder geval verwijtbare onwetendheid en incompetentie. De ‘zo geboren’ bewering is in verschillende latere kerkelijke documenten overgenomen. [xxvi] Met ernstige gevolgen. In plaats van zich te verzetten tegen de fatalistische homopropaganda van de seculiere wereld dat homoseksuele neigingen moeten worden geaccepteerd als een natuurlijk gegeven, goot het gezag van de Kerk nog wat meer olie op het vuur. In plaats van ouders te helpen een homoseksuele gerichtheid in hun kinderen te voorkomen en hen de wijsheden in te prenten omtrent natuurlijke vrouwelijkheid en mannelijkheid in de huwelijksrelatie en omtrent de rol van vader en moeder in de opvoeding, kwamen ze met de passieve en geen hoop uitzicht biedende boodschap van acceptatie en “er is niets aan te doen”. [xxvii] Maar in feite had de biologische theorie ook in 1975 geen poot om op te staan, omdat er geen enkel solide bewijs voor was, terwijl er wel voldoende bewijs was voor de psychologische veroorzaking.

Echt verontrustend zijn de uitspraken over homoseksualiteit in de nrs. 2357 en 2358 van de Catechismus van de Katholieke Kerk van 1992. Ze wekken de valse indruk dat homoseksualiteit een complex, diepgaand mysterie van de natuur is en dat is nu juist een van de bedrieglijke troefkaarten van de homo-normaliseerders. Het idee van een mysterie wordt nog eens benadrukt door de vreemde bewering: “De psycho-genese ervan [van homoseksualiteit] blijft grotendeels onverklaard”. Is dit bedoeld om de mythe van de biologie te ondersteunen? In ieder geval is het in overeenstemming met de homopolitiek om de psychologische benadering volledig te negeren en voor te stellen als onwetenschappelijk en onbetekenend. Een zeer misleidende en onjuiste uitspraak; een correcte uitspraak zou zijn geweest dat er voor psychologische veroorzaking de meest overtuigende en wetenschappelijk beste argumenten waren.  Maar afgezien daarvan is de (foutieve) bewering “grotendeels onverklaard” een oordeel dat niet op het terrein van de theologen thuishoort. Het behoort tot het terrein van de menswetenschappen (Denk aan de les van de affaire Galileo!). Inderdaad, alle niet-morele uitspraken over homoseksualiteit dienen uit de Catechismus te worden verwijderd. Net als in de gelijkenis is het onkruid, gezaaid tussen de tarwe van de gezonde leer toen sommige mensen kennelijk sliepen.

Een andere dubieuze stelling spreekt van het “niet te verwaarlozen aantal mannen en vrouwen [met] diepgewortelde homoseksuele neigingen”. In 1992 was dit steun voor de Kinsey-propaganda dat 10% van de mannelijke bevolking homoseksueel was, en dat zou aangeven hoe “normaal” het was. En dan lezen we deze simplistische halve waarheid: “Ze kiezen niet voor hun toestand… [die] voor de meesten van hen een beproeving is.” Zeer dubieus is verder de melodramatische voorstelling van alle homoseksuele mensen als onschuldige slachtoffers van discriminatie, zoals wordt gesuggereerd in de volgende aansporing: “…zij moeten worden behandeld met respect, medeleven, fijngevoeligheid. Elk teken van onrechtvaardige discriminatie tegen hen moet worden vermeden.” Deze over-dramatisering is koren op de molen van de homopropaganda. Juist de massale publieke indoctrinatie met het beeld van de homoseksueel als slachtoffer van sociale onderdrukking, in combinatie met de mythe van het zo-geboren-zijn, is vernietigend effectief geweest bij het overwinnen van de publieke weerstand tegen de homoseksuele aanspraken op “gelijke rechten”. Waarom niet een nuchtere herinnering aan de normale plicht van naastenliefde?

Hoe dan ook, de retoriek van mededogen en melodrama is vol ontwikkeld in daaropvolgende kerkelijke documenten zodat een sfeer werd gecreëerd waarin het maken van bezwaren tegen homoseksuele praktijken als onchristelijk begint te voelen. Een voorbeeld hiervan is de “Boodschap” van de Amerikaanse Bisschoppen aan ouders van (vermeend) homoseksuele kinderen, Always our children (1997). Het  is een en al pastorale zalving, psycho-kletspraat en sentimentaliteit over:  “Het accepteren en liefhebben van je kind als een geschenk van God”, over “seksuele identiteit [die] de unieke persoon laat zien die we zijn”, over “kuisheid [die] betekent … het integreren van je gedachten enz.. … op een manier die jouw waardigheid en die van anderen waardeert en respecteert”. En dikke tranen over die onmenselijke discriminatie: “Alle homoseksuele personen hebben het recht om in de gemeenschap te worden verwelkomd”; “Een schokkend aantal homoseksuele jongeren komt op straat terecht doordat ze door hun gezinnen worden afgewezen…”. Een seksuele “geaardheid” voorkomen kan geen vader of moeder, dus:  “Accepteer jezelf en houdt van jezelf als ouders … geef jezelf niet de schuld van een homoseksuele gerichtheid”.

Het tussentijds verslag van de Vaticaanse Synode over het Gezin in 2014 gaat verder in dezelfde lamenterende stijl die zo typerend is voor de homopropaganda over het slachtofferschap van de verstoten homoseksueel, maar nu is het openlijker de bedoeling om homoseksuele relaties te legaliseren en te sleutelen aan Humanae Vitae. “Homoseksuelen”, staat er, en seksueel praktiserende en zichzelf normaal verklarende homoseksuelen worden duidelijk niet uitgesloten, “hebben de christelijke gemeenschap gaven en kwaliteiten te bieden”; en de gelovigen moeten “hen een plaats als compagnon geven in onze gemeenschappen” want “vaak willen zij een Kerk ontmoeten die hen een gastvrij thuis biedt”. Ze zijn dus verschoppelingen; maar met het recht om warm aanvaard te worden in de Kerk. Het zijn daarentegen de gelovigen die moeten worden opgevoed, die de les wordt gelezen over hun onbarmhartigheid, niet degenen die een immoreel leven leiden: “Zijn onze gemeenschappen in staat om … hun seksuele gerichtheid te accepteren en te waarderen?” De homoverbintenis wordt voorgesteld als eerbare liefde: “…er zijn voorbeelden dat wederzijdse hulp tot aan opoffering toe een waardevolle steun is in het leven van deze personen.”

***

Tot besluit, het is niet verrassend dat zoveel subtiele en minder subtiele homopropaganda doorklinkt in Kerkelijke documenten. Sinds de priesterschandalen is de realiteit aan het licht gekomen dat, tenminste sinds de jaren vijftig, een onevenredig hoog percentage van de seminaristen en priesters homoseksueel is. Velen van hen moeten voor zichzelf hun gevoelens hebben “genormaliseerd”. En velen van hen moeten inmiddels in de hogere geledingen van de Kerk zijn terechtgekomen, ook al omdat veel homoseksuele priesters ambitieuze neigingen hebben, streven naar kerkelijke carrières en daarmee succes hebben. [xxviii] Binnen de Kerk zijn subversieve homonetwerken gevormd, zelfs op zeer hoog niveau, om homoseksualiteit te normaliseren. Moraaltheologen leveren de argumenten, sommigen doen dat openlijk, zoals Charles Curran: “De Kerk moet de normale waarde en de goedheid van relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht accepteren.”

In het algemeen zijn homoseksuele of pro-homoseksuele priesters tegenstanders van Humanae Vitae en aan de andere kant zijn veel dissidenten van Humanae Vitae pro-homo, maar velen (van de beide groeperingen) komen daar niet mee voor de dag.

Uit hoe het in de seculiere wereld is gegaan kunnen we feitelijk leren dat de bevordering van anticonceptieve seksualiteit  voor een groot deel het werk is geweest van mensen die gedreven worden door de wens om hun eigen afwijking te normaliseren en hun eigen immorele levenswijze op te dringen aan de hele maatschappij. Welnu, het is heel waarschijnlijk dat de bestaande pogingen binnen de Kerk om de leer van Humanae Vitae te wijzigen eveneens in sterke mate worden gemotiveerd en georkestreerd door homoseksuele priesters. En dat niet uit meegevoel met ouders en gehuwden, voor wie het te moeilijk zou zijn om Humanae Vitae na te leven. Want homoseksuele mannen, die weinig affiniteit hebben met en begrip hebben voor volwassen huwelijkse liefde, worden in deze kwestie gedreven door meer egocentrische motieven: Humanae Vitae staat hun eigen, dubieuze idealen in de weg.

Bron foto boven: YouTube.

Een principieel, niet een persoonlijk standpunt

Bij het schrijven van deze verklaring zijn we niet van plan om iemand te kwetsen of in diskrediet te brengen. We worden niet gedreven door persoonlijke haat tegen een individu. In geestelijk verzet tegen individuen of organisaties die de homoseksuele agenda bevorderen, is onze enige bedoeling de verdediging van het traditionele huwelijk, het gezin en de kostbare overblijfselen van de christelijke beschaving.

Als praktiserende katholieken zijn wij vervuld van mededogen en bidden wij voor hen die strijden tegen de onverbiddelijke en gewelddadige verleiding tot zondige homoseksuele handelingen. Wij bidden voor hen die uit menselijke zwakheid in zondige homoseksuele handelingen vervallen, opdat God hen bijstaat met zijn genade.

Wij zijn ons bewust van het enorme verschil tussen enerzijds deze individuen die worstelen met hun zwakheid en ernaar streven om deze te overwinnen, anderzijds anderen die hun zonde veranderen in een reden voor hoogmoed en proberen hun levensstijl op te leggen aan de samenleving als geheel, in flagrante tegenstelling tot de traditionele christelijke moraal en de natuurwet. Maar ook voor deze mensen bidden we.

We bidden ook voor de rechters, wetgevers en overheidsfunctionarissen die op een of andere manier stappen ondernemen die homoseksualiteit en het “homohuwelijk” ten goede komen. We oordelen niet over hun bedoelingen, inwendige disposities, of persoonlijke motivaties.

Wij verwerpen en veroordelen elke vorm van geweld. We oefenen eenvoudigweg onze vrijheid uit als kinderen van God (Rom. 8:21) en ons recht op vrije meningsuiting en het openhartig, onbeschaamd en openbaar vertoon van ons katholieke geloof. Wij verzetten ons tegen argumenten met argumenten. Op de argumenten ten gunste van homoseksualiteit en het “huwelijk” tussen mensen van hetzelfde geslacht reageren we met argumenten die gebaseerd zijn op de rechtschapen rede, de natuurwet en de Goddelijke Openbaring.

In een polemische uitspraak als deze is het mogelijk dat een of andere formulering als buitensporig of ironisch wordt ervaren. Dat is niet onze bedoeling.

__________

Eindnoten

[i] Niet in termen van gedrag zoals in de amateuristische definitie in de Catechismus van de Katholieke Kerk (nr. 2357). Deze definitie maakt bovendien één pot nat van homoseksualiteit als seksuele stoornis en homoseksuele praktijken die niets te maken hebben met homoseksuele gevoelens, zoals initiatieriten bij primitieve stammen.

[ii] British Office of National Statistics, 2010.

[iii] Cf. Flacelière, R. Amour en Grèce. Parijs: Hachette, 1960. De historicus van culturele seksuele gewoonten Karlen stelt: “Nergens is homoseksualiteit of biseksualiteit een gewenst doel op zich. Nergens zeggen ouders: ‘Het is mij om het even of mijn kind heteroseksueel of homoseksueel is.’” (Karlen, A., geciteerd in: Socarides, Ch. W., Beyond sexual freedom: Clinical Fallout. American Journal of Psychotherapy, 1976, XXX,  385-397.)

[iv] Een uitstekende analyse: Reilly, R.R. Making gay okay: How rationalizing homosexual behavior is changing everything. San Francisco: Ignatius Press, 2014.

[v] Voor overzichten van de onderzoeksgegevens: van den Aardweg, G.J.M. Homosexuality and biological factors: Real evidence—none; misleading interpretations: plenty. NARTH Bulletin, 2005, 13, 3, 19-28; 

Whitehead, N.E. & Whitehead, B.K. My genes made me do it! Homosexuality and the scientific evidence. Belmont, Lower Hutt, New Zealand: Whitehead Associates, 2010;

Mayer, L.S. & McHugh, P.R. Sexuality and gender. The New Atlantis, 2016, Nr. 50, 1-143.

[vi] Position Paper.

[vii] van den Aardweg, G.J.M. The battle for normality. San Francisco: Ignatius Press, 1997.

[viii] Voor een Italiaanse publicatie: Marchesini, R. Omosessualità. Pro Manuscrito, 2016. First ed. Omossesualità maschile. Roma: Ateneo Pontifìcio Regina Apostolorum, 2011.

[ix] Dit houdt in: volharding in het gebed en regelmatige kleine verstervingen, het ontvangen van de sacramenten (voor katholieken), en de dagelijkse strijd tegen de eigen karakterfouten en ondeugden en voor de versterking van de deugden.

[x] Spitzer, R.L. Can some gay men and lesbians change their sexual orientation? Archives of Sexual Behavior, 2003, 32, 403-417.

[xi] Bijv. het zichzelf rechtvaardigende werkje Corydon van de voorloper van de emancipatie van homoseksuele pedofilie, André Gide. Paris: NRF Gallimard, 1924.

[xii] Giese, H. Der homosexuelle Mann in der Welt. Stuttgart: Enke, 1958 ; Freund, K. Die Homosexualität beim Mann. Leipzig: Hirzel, 1963; Zebulon, A. et al. Sexual partner age preference of homosexual and heterosexual men and women. Archives of Sexual Behavior, 2000, 29, 67-76.

[xiii] Zie Cameron, P. Homosexual molestation of children. Sexual interaction of teacher and pupil. Psychological Reports, 1985, 57, 1227-1236;

Cameron, P. Teacher-pupil sex, how much is homosexual? Empirical Journal of Same-Sex Sexual Behavior, 2007, 1, 1-19 (online);

Fitzgibbons R. & O’Leary, D. Sexual abuse of minors by Catholic clergy. The Linacre Quarterly, 2011, 78, 3, 252-273;

van den Aardweg, G.J.M. Abuse by priests, homosexuality, Humanae Vitae, and the crisis of masculinity in the Church. The Linacre Quarterly, 2011, 78, 3, 274-293.

[xiv] Hanson, D. Homosexuality: The international disease. New York: L.S. Publications, 1965, p. 41.

[xv] van den Aardweg, G.J.M. Science says No: The gay “marriage” deception. Castlemitchell South, Athy, Co. Kildare, Eire: Catholic Voice, 2015. Duits: Die Wissenschaft sagt Nein: Der Betrug der Homo-„Ehe”. Lage (D): Lichtzeichen Verlag, 2020.

[xvi] Zie bijvoorbeeld F.S. Jaffe’s “Memorandum to Bernard Berelson”, in: Elliott, R. et al. U.S. population growth and family planning: A review of the literature. Family Planning Perspectives, 1970, 2, 4, II-XVI.

[xvii] Simon, P. De la vie avant toute chose. Paris: Mazarine, 1979; Abad-Gallardo, S. J’ai frappé à la porte du Temple. Paris: Téqui, 2014.

[xviii] Fr. Schmidt, W. Liebe, Ehe, Familie. Innsbruck/Wien/München: Tyrolia, 1931, p. 21.

[xix] Kinsey, A.C. Sexual behavior in the human male. Philadelphia: Saunders, 1948; Kinsey, A.C. et al. Sexual behavior in the human female. Philadelphia: Saunders, 1953; Reisman, J. Kinsey: Crimes and consequences. Arlington VA: Institute for Media Education, 1998.

[xx] de Beauvoir, S. Le deuxième sexe. Paris: Gallimard, 1949.

[xxi] Seymour-Jones, C. A dangerous liaison: Simone de Beauvoir and Jean-Paul Sartre. London: Century,  2008, p.XIII.

[xxii] Lamblin, B. Mémoires d’une jeune fille dérangée. Paris: Éditions Balland, 1993, p. 166.

[xxiii] Ibidem, p. 167.  Bianca L. was een levenslange vriendin die zich als tiener al had laten verleiden door haar lerares Simone de Beauvoir.

[xxiv] Bair, D. Simone de Beauvoir: A biography. London: Jonathan Cape, 1990, p. 170.

[xxv] Kurtz, S. The end of marriage in Scandinavia. The Weekly Standard, 2004, February 2, 26-33. Het verwoestende effect van toegenomen homoseksualiteit op het huwelijk is altijd al bekend geweest. De nazi’s hielden er rekening mee in hun programma om de Slavische Polen uit te roeien. Een van de eerste stappen was het legaliseren van homoseksualiteit (Habiger, M. From Auschwitz to Cairo: Lessons on population management. HLI Reports, 1994, Sept., 4-7.

[xxvi] La Civiltà Cattolica, het jezuïetentijdschrift dat gezag geniet in kerkelijke kringen, droeg bij aan de mythe van de biologie met een misleidend, ondeskundig artikel van pater Serra, een gepensioneerde professor in de genetica van de Gregoriana universiteit. Op grond van zijn foutieve interpretatie van sommige onderzoeksrapporten beweerde hij dat er “een samenhangend complex van observaties” zou bestaan “dat er vrij sterk op wijst dat … een causale biologische component niet kan worden uitgesloten en dat zelfs suggereert dat die een aanzienlijk gewicht heeft”. Vreemd genoeg weigerde de redacteur van het tijdschrift een discussie in zijn blad over deze misleidende informatie. Serra, A. Sessualità: Scienza, sapienza, società. La Civiltà Cattolica, 2004, 155, I, 220-234.

[xxvii] Bijvoorbeeld het document over seksuele opvoeding van de pauselijke Raad voor het Gezin in 1995 en de homo-propagandistische Message van de Amerikaanse bisschoppen Always our children uit 1997.

[xxviii] Cf. Nasini, G. Um espinho na carne. Aparecida SP: Editora Santuário, 1998.